The sea, once it casts its spell,
holds one in its net of wonder forever.

Jacques Cousteau
Posts tonen met het label Inspirerende verhalen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Inspirerende verhalen. Alle posts tonen

03/02/2022

Het visje en de oceaan



Een jong visje maakte zich eens grote zorgen, want het had zo veel over de oceaan gehoord en wilde nu wel eens weten wat de oceaan eigenlijk was. Het zwom van de ene wijze vis naar de volgende wijze vis.

Het was op zoek naar een meester. Die waren er genoeg. Ze zeiden van alles, want als je naar een goeroe gaat, heeft hij altijd iets te zeggen, ook al weet hij het niet. Ze zeiden van alles over de oceaan, maar het visje was niet tevreden, want het wilde hem proeven.

Verschillende adviezen

De ene goeroe zei: 'Hij is heel ver weg en moeilijk te bereiken. Het komt zelden voor dat iemand de oceaan bereikt. Doe geen domme dingen. Je moet je er miljoenen levens op voorbereiden. Het is geen peulenschil, het is een enorme taak.'

Een andere was boeddhist. Hij zei: 'Dat helpt niets. Bewandel de weg van Boeddha, de acht leefregels van Boeddha zullen je helpen – eerst moet je volkomen zuiver worden, er mag geen enkele onzuiverheid achterblijven. Dan pas zal je het gegeven zijn de oceaan te zien.'

Toen zei een derde: 'In de Kaliyuga, het huidige tijdperk, helpt alleen het zingen van de naam Ram. Zing Ram, Ram, Ram – alleen door zijn genade kan men er komen.'

Het visje zocht verder

Het visje zocht verder, raadpleegde vele boeken, doctrines, geleerden, bezocht vele wijze vissen, maar omdat het er niets mee bereikte raakte het meer en meer gefrustreerd.

Waar was de oceaan? Het werd een obsessie. Je bent er al.

Toen ontmoette het op een dag een vis, een heel gewone vis. Deze vis zei: 'Je bent gek, doe niet zo mal. Je bent al in de oceaan. Wat je om je heen ziet is de oceaan. Hij is niet heel ver weg, hij is vlakbij en daarom zie je hem niet. Want om iets te kunnen zien moet je van een afstand kijken; voor het juiste perspectief is ruimte nodig. Hij is zo dichtbij dat je hem niet kunt zien. Hij is om je heen en binnen in je, je maakt er deel van uit, je bent een concentraat van zijn energie.'

Het visje geloofde hem niet

Maar het visje geloofde hem niet en zei: 'Jij lijkt wel gek. Ik ben bij zo veel meesters geweest en heb er zo veel boeken over gelezen die allemaal zeggen dat hij heel ver weg is. Eerst moet je je louteren, yoga doen, discipline, karakter en moraal aankweken, een religieus leven leiden, allerlei rituelen doormaken – en dan na miljoenen levens gebeurt het. En áls iemand de oceaan bereikt, dan is dat nog altijd dankzij de genade van God.'

En het zwom weer verder op zoek naar de oceaan.

Je hoeft niet te zoeken.
Je bent er al.

07/12/2021

Over drie vissen



Er leefden drie grote vissen in een meer die zeer goede vrienden waren. Ze waren alle drie heel verschillend van elkaar. De eerste geloofde in het lot. Hij dacht dat dingen niet veranderd kunnen worden en dat wat er moest gebeuren hoe dan ook zou gebeuren. De tweede was intelligent. Hij dacht met zijn intelligentie te weten hoe hij een probleem moest oplossen als hij er één had. De derde was de wijze. Lang en diep denkt hij na alvorens te handelen.

Dus op een dag was de wijze vis vrolijk aan het spelen in het water, toen hij vissers hoorde praten met elkaar. 

"Kijk eens, wat een grote vis ... Dit meer zit vol met grote vissen zoals deze. Laten we morgen komen om ze te vangen."

De wijze vis zwom haastig naar zijn vrienden om het nieuws te vertellen. 'Laten we uit dit meer gaan voordat die vissers terugkomen. Een kanaal dat ik ken, kan ons naar een ander meer brengen," zei de wijze vis.

De intelligente vis zei:
"Ik weet wat ik moet doen als de vissers me komen halen."

De vis die in het lot geloofde, zei: "Wat er ook gebeurt, ik ben in dit meer geboren en ik zal het niet verlaten."

De wijze vis wilde zijn leven niet riskeren,
dus nam hij het kanaal en ging naar een ander meer.

De vissers kwamen de volgende ochtend terug en wierpen hun net uit. De rest van de twee vrienden werd erin gevangen, samen met vele andere vissen.

De intelligente vis bedacht een manier om te ontsnappen, hij deed alsof hij dood was. De vissers gooiden hem samen met andere dode vissen terug in het meer. Maar de andere vissen die in het lot geloofden, sprongen nog steeds in het net en de vissers sloegen hem dood.

Moraal van het verhaal:
intelligentie wint van macht.

Van Panchatanthra

12/04/2014

The little wave


The story is about a little wave, bobbing along in the ocean, having a great time. He enjoys the wind and the fresh air, until he notices the other waves in front of him, crashing against the shore.

"Oh no, this is terrible," the wave says.
"Look what’s going to happen to me!"

Then along comes another wave. It sees the first wave, looking grim, and it says to him:

"Why do you look so sad?"

The first wave says:

"You don’t understand! We’re all going to crash!
All of us waves are going to be nothing! Isn’t this terrible?"

The second wave says:

"No, YOU don't understand.
You’re not a wave, you’re part of the ocean.

"Tuesdays With Morrie" by Mitch Albom

10/03/2013

De djinn van de zee


Een Marokkaans sprookje
over diefstal van een wondertafeltje

Er woonde eens in een vissersdorpje aan de zee een man met zijn vrouw en vele kinderen. De oceaan was hun enige bron van inkomsten. Ciad werkte hard. In de warmste uren van de dag repareerde hij zijn netten. Als het ging schemeren legde hij zijn bootje in het water en vertrok om tegen de morgen terug te keren. Hij kende de kust met zijn klippen en stromingen, maar ondanks dat ving hij nooit meer dan drie vissen. Daarvan moest het gezin leven.

Op een dag dat de visser op zee was en als altijd zijn best deed iets te vangen, steeg voor zijn ogen de verschrikkelijke Djinn el Behari (de geest van de zee) op uit het water. Ciad versteende bij de aanblik van de zeereus.

"Wat val jij mij toch iedere dag lastig, kun je mij niet met rust laten?" zei Djinn el Behari.

"Heb medelijden met mijn gezin," antwoordde de visser, "mijn vrouw en ik hebben veel kinderen en ik ben de enige die voor ze kan zorgen. Met de grootste moeite vang ik drie schamele visjes per dag."

"Als dat zo is," sprak de reus, "zal ik je een cadeau geven. Maar pas op, spreek er met niemand over. Hier heb je een tafeltje. Je hoeft alleen maar te zeggen: 'Tafeltje doe je werk' en het zal je geven wat je wenst ... couscous, mechoui, kippensoep, schapenragout, noem maar op. Maar er is één voorwaarde: laat mij verder met rust met je vishaken en netten, of ik word vreselijk kwaad."

Opgetogen nam Ciad het tafeltje mee naar zijn vrouw.

"Djinn el Behari heeft mij een tafeltje geschonken dat ons alles zal geven wat wij vragen. Vanaf vandaag zullen onze kinderen altijd te eten hebben. Je hoeft maar te zeggen: 'Tafeltje doe je werk'. Maar de Djinn heeft mij wel op het hart gedrukt er met niemand over te spreken."

Vol verwachting vroeg de vrouw het tafeltje om een stuk gebraden vlees waar ze al jaren naar smachtte. En zie, het tafeltje zette haar een verrukkelijke bout voor. Het hele gezin juichte van vreugde. Die avond, de volgende dag en de dagen daarna hielden de visser en zijn vrouw het ene feestmaal na het andere en aten alles waar ze maar zin in hadden. Omdat het nu zo makkelijk was de smakelijkste maaltijden op tafel te krijgen, kreeg de vrouw het idee haar nicht uit te nodigen. Het gezin was steeds te arm geweest om gasten te ontvangen en de vrouwen hadden elkaar dan ook lang niet gezien, ze praatten honderduit. De nicht, verbaasd over zoveel overvloed, vroeg hoe het kwam dat het gezin het opeens zo ruim had.

De vissersvrouw bedacht dat zij een familielid het geheim wel zou mogen vertellen en ze bekende dat het tafeltje het werk deed. Ze ging zelfs zover haar nicht te vragen wat ze wilde eten om zo ter plekke een demonstratie te kunnen geven.

"Matsered akhdem chegholek, doe je werk," en het tafeltje toverde het gevraagde gerecht te voorschijn.

"Choufi, zie je?" zei de vrouw trots tegen haar gast.

Vanaf dat moment wilde de nicht nog maar één ding: het tafeltje stelen. Zij overlegde met haar man. Zij besloten de familie te vragen of zij een paar dagen konden komen logeren. De vissersvrouw ging graag op het verzoek in. Over het eten hoefde zij zich immers geen zorgen meer te maken, daar had zij het tafeltje voor. De visser legde dus twee extra matrassen in de kamer en nodigde de familie van zijn vrouw uit.

Toen het echtpaar er was bestudeerde de man nauwkeurig het tafeltje en noteerde in zijn gedachten afmeting, kleur en vorm. Daarna liet hij er precies zo één maken, en die verwisselde hij de volgende avond met het echte tafeltje. De volgende dag nam het echtpaar afscheid en vertrok. 's Middags wilde de vissersvrouw haar gezin een maaltijd voorzetten, maar hoe zij ook riep: "Tafeltje doe je werk," het tafeltje reageerde niet.

Noodgedwongen gooide de visser zijn boot weer in het water. Zeven dagen lang ving hij niet één vis. Zijn kinderen verkommerden. De nicht en haar man daarentegen vierden feest. De visser zei tegen zijn vrouw:

"Ga naar je nicht. Vertel haar van onze ellende en bedel desnoods om wat etensresten. Wij hebben haar tenslotte gastvrij ontvangen."

De vrouw ging naar haar nicht, bekende dat het tafeltje zijn werk niet meer deed en dat haar man niet één vis ving. Het gezin dreigde om te komen van de honger. De nicht toonde weinig medelijden. Als zij wat eten zou geven zou de vissersvrouw misschien ontdekken dat zij het tafeltje gestolen had. Bovendien zou de vissersvrouw dan blijven bedelen. De volgende dag klopte de arme vrouw weer aan bij haar nicht, maar zij kreeg nog geen korst brood. De visser was ten einde raad. Toch ging hij steeds weer naar zee in de hoop iets te vangen.

En daar steeg de Djinn weer op uit de golven.

"Ben jij daar nu weer, wat heb je met het tafeltje gedaan?"

"Heer, het tafeltje werkt niet meer."

"Hoezo werkt het niet meer, wie is er de laatste tijd bij jou op bezoek geweest?"

"De familie van mijn vrouw."

"Luister, maak een maaltijd klaar en nodig de familie van je vrouw weer uit."

De visser ging naar huis en leende geld om het eten te kunnen betalen. De vrouw ging naar haar familie en zei:

"Mijn man heeft goed werk gevonden en wij geven nu een ouada (feest dat men geeft wanneer een wens in vervulling is gegaan). Wij nodigen jullie uit."

De nicht werd nieuwsgierig en zei tegen haar man:

"Zij moeten iets gevonden hebben dat nog beter is dan het tafeltje. Wij moeten erachter zien te komen wat dat is."

Zij gingen dus naar de visser en het gezelschap zette zich aan tafel. Midden onder het eten zei de vissersvrouw tegen haar nicht:

"Jij hebt mijn tafeltje gestolen."

"Hoe kom je erbij, wij zijn eerlijke mensen."

"Nee, jullie zijn niet eerlijk en medelijden kennen jullie ook niet. Zelfs broodkruimels hebben jullie mij geweigerd."

De nicht en haar man bleven ontkennen. Toen doemde, angstaanjagend, Djinn el Behari op in de gedaante van een zwarte reus. Hij zei tegen de gasten:

"Jullie zijn dieven. Jullie hebben geen medelijden gehad met deze arme mensen, zelfs niet met hun kleine kinderen. Jullie waren bang dat zij vaker bij jullie zouden aankloppen voor hulp. Als jullie een beetje liefde hadden gehad, had ik jullie ook een tafeltje gegeven. Maar nu de zaken er zo voorstaan neem ik jullie mee."

Bliksemsnel bukte Djinn el Behari zich, greep het slechte echtpaar en nam ze mee over de zeven zeeën. Nadat hij hen over het schuim van de kolkende oceaan had gesleurd en tegen de ruwe rotsen had geslagen, smeet hij ze op de kust van een ver land, ellendig en uitgeput. Zij moesten jaren lopen voor zij weer thuis waren.

Einde

Samenvatting:

Een arme visser wordt door een machtige djinn (goede geest) geholpen met een wondertafeltje. Als de visser en zijn vrouw familie uitnodigen, wordt het tafeltje met een list gestolen. Voor hulp hoeven ze niet bij hun familie te zijn, maar gelukkig duikt dan de djinn weer op.

Dit verhaal doet denken aan het bekende sprookje Tafeltje dek je, ezeltje strek je en knuppel uit de zak, maar de moraal van het verhaal gaat dieper. Het is niet zozeer de diefstal die de woede van de geest opwekt, maar het feit dat men mensen in nood niet heeft geholpen en zo de heilige wet van de gastvrijheid en hulp aan de armen heeft verbroken.

J. Scelles-Mille, Contes mystérieux d'Afrique du Nord,
Parijs, 1972

08/03/2013

Zeemeermin van Edam


Het verhaal gaat dat tijdens een zware storm in 1403 een 'zeewijf' oftewel zeemeermin via de Zuiderzee (thans IJsselmeer) door de doorgebroken zeedijk in het Purmermeer bij Edam terecht kwam. De dijken werden zo snel hersteld dat ze niet meer naar het open water kon terugzwemmen.

Wachtendorp, rijmelaar, schreef:

"Sy huylden als een hondt, meest in de middernacht,
En wierdt door ’t eerste licht in stilte weer gebracht,
Visschen, haer eygen aes, die vingse met haer handen,
Doch veeght de schobben eerst af met haer scherpe tanden,
Of quam daer by geval een Smient of Water-eent,
Sy trock de veeren af, en al het kleyn gebeent,
Haer hayr was wonder lanck, en nimmer af geschooren,
Seêr dat sy, van wat Moêr het zijn mach, was gebooren:
’t Lijf over al met ruygh bewassen, en met haer,
Was van een huydt bedeckt redelijck gladt en klaer."

Anderhalve eeuw later meldde Jakobus Kok in zijn: "Vaderlandsch Woordenboek" (Amsterdam, 1785-1799, deel 13) dat het verhaal al gauw door Noord-Holland de ronde deed en veel volk kwam toestromen om het 'zeewijf' te bekijken. Daaronder waren ook inwoners van de stad Haarlem die net zolang zeurden tot ze haar meekregen.

'Lang behielden zij het in ’t leeven,
en leerden het menschelijke spijze te gebruiken.
Doch zijne natuurlijke trek,
om in de Zee te leeven, kwam telkens boven.

Het gaf zomtijds geluid, doch niet onderscheidelijk of verstaanbaar. Ze leerden het spinnen, en gestorven zijnde, werd het op het Kerkhof begraven, om dat men het geleerd had, eerbied aan een christusbeeldje te bewijzen."



Het volksverhaal van de Edamse meermin is in vele 16de en 17de eeuwse boeken terug te vinden en een paar jaar geleden verscheen er zelfs een roman waarin zij de hoofdrol speelt.

Ook haar beeltenis is nimmer uit de geschiedenis verdwenen. Een van de eerste afbeeldingen stond boven de in 1610 gebouwde Purmerpoort in Edam die helaas in 1835 werd afgebroken. Toen de Hoge Raad van Adel in 1818 het heraldisch wapen voor het dijkbestuur van De Purmer vaststelde werd dat omschreven als:

"Een schild beladen met een vrouwenbeeld in haar natuurlijke kleuren, houdende een dieplood in de hand."

Van de spinnende meermin had men daar kennelijk nog nooit gehoord! Bijzonder fraai werd zij afgebeeld, samen met de melkmeisjes die haar vonden, op de rond 1850 door J.A. Lintveld gemaakte verguld zilveren bodebus van het waterschap De Purmer.

Naast het verhaal speelde ook altijd de discussie over wat er nu precies van waar was. De watersnood van 1403 is een historisch feit, maar aan de meermin is lang getwijfeld. Zeventiende eeuwse geschiedschrijvers als M. Vossius (1611-1646) en L. Smids (1649-1720) vonden het verhaal 'verdagt' en leugenachtig.

De geleerde J. Winterus, zo schreef Kok in zijn woordenboek, vond het verhaal volstrekt geloofwaardig," immers dat er Zeegedierte is, welk eene mannelijke en vrouwelijke gedaante heeft, daar van zijn, ook nog in onze tijd, eene menigte en onlochenbare getuigen; ten ware zij bij zulken niet gelden, die niets willen aaneemen, dan het geene zij met eigen ogen zien, en dan nog twijffelen als het hen vreemd schijnt." Bovendien, zo vervolgde deze geleerde, "eerbied aan een kruijsbeeld te toonen, wil ik een Aap en een Hond wel leeren."

Ook het spinnen leek hem geen probleem, maar dan uiteraard niet met het wiel maar door het draaien van de draad tussen de handen; "waartoe de breede en vlakke handen eener Zeevrouwe meer bekwaam zijn dan die van een Aap."

Het verhaal over deze zeemeermin werd gedurende 600 jaar door veel schrijvers opgeschreven. Ook Muiden kent een zeemeerminlegende, als vissers een gevangen exemplaar vrijlaten zingt ze:

Muiden zal Muiden blijven,
Muiden zal nooit beklijven.

Een ander bekend verhaal is
De zeemeermin van Westenschouwen.

Er is ook een verhaal over een kofschip op de Noordzee dat opeens stil lag. De schipper ging kijken en zag een meerman aan het roer hangen. Hij zegt dat zijn vrouw in barensnood is en hij vraagt of de vrouw van de schipper haar wil ondersteunen. De schippersvrouw heeft zelf zes kinderen en weet wat de zeevrouw doormaakt. Ze gaat meteen overboord en verdwijnt in de diepte. Het schip ligt stil en na lange tijd brengt de meerman de schippersvrouw naar boven. Ze is droog, alleen de zoom van haar rok wordt nat als de schipper haar in zijn armen pakt. Het schip zeilt razendsnel verder en haalt binnen een kwartier de stilstand in. De koopvaarder doet goede zaken en zolang hij de Noordzee bevoer, zat alles hem mee.

Sagenexpert Theo Meder van het Meertens Instituut zegt over de zeemeermin van Edam (Noord-Holland) het volgende:

Er in 1403 een historische dijkdoorbraak en overstroming plaatsvond vanuit de Zuiderzee.

Er een eeuwenoude afbeelding van een zeemeermin te zien is in de Grote Kerk van Edam.

"Eeuwen geleden, toen nog lang niet alle zeedieren in kaart waren gebracht, maakte men zich de meest fantastische voorstellingen over de wezens in de zee. Naast allerlei vissen zouden er ook zee-exemplaren moeten bestaan van dieren en mensen die je ook op het land kon vinden, zoals (zee-) honden, leeuwen, paarden, koeien, slangen, egels, ridders, meerminnen en monniken.

Op basis van bestaande verhalen meenden zeelieden wel eens zeemeerminnen te hebben gezien, maar waarschijnlijk zijn dat zeekoeien geweest."

"De eerste gevelsteen met een zeemeermin in de Purmerpoort te Edam dateert van twee eeuwen na de dijkdoorbraak en overstromingen in 1403. Met andere woorden: uit 1403 bestaan geen betrouwbare ooggetuigenverslagen. Maar de overstroming heeft wel plaatsgevonden. Misschien is er na de overstroming wel gewoon een bijna verdronken vrouw uit het Purmermeer gehaald in plaats van een zeemeermin."

"Als zeemeerminnen al zouden bestaan, is het zeer de vraag of ze zo lang op het droge konden leven. De sage van 'De Zeemeermin van Edam' laat vooral zien dat mensen vroeger dachten dat de mens het middelpunt van de schepping was. Een wezen dat op een mens lijkt zou in hun idee ook het liefst als een mens willen of zelfs moeten leven: met mensenkleding aan, mensenvoedsel eten, het huishouden doen, kaas maken, spinnen en vroom christelijke kruisjes slaan. Je kunt uit het verhaal leren hoezeer mensen vroeger dachten dat alles wat enigszins menselijk was zich aan hun zeden en gewoonten moest aanpassen."

06/03/2013

Circe and Scylla, John M. Strudwick, 1886

Scylla beloerde hen van rechts, van links dreigde Charybdis die schepen roofde, opslokte en weer uitspuwde. Scylla had een onderlichaam dat begroeid was met blaffende hondenkoppen. Ze had wel een vrouwenhoofd en als niet alles wat dichters zeggen gelogen is, dan was zij ooit een vrouw.

Veel minnaars dongen naar haar hand. Zij wees hen allen af; daarna ging ze aan de waternimfen die graag naar haar luisterden, vertellen hoe ze zo’n verliefde vrijer had afgeschud.

Op een keer, toen ze het haar van Galatea mocht kammen, zuchtte Galatea enkele malen diep en zei haar:

"Jij heb ten minste nog beschaafde minnaars die je ongestraft kunt afwijzen, wat je ook doet. Maar ik, een kind van Nereus zelf, door de zeegodin Doris gebaard en veilig omringd door mijn zusters, kon de Cycloop die naar mijn hand dong, slechts met veel verdriet afwijzen."

Tranen beletten haar om verder te spreken. Ze veegde die met helderwitte hand weg; toen zei Scylla troostend tegen de nimf:

"Vanwaar komt dit leed, lieve vriendin? Verberg het niet. Je weet dat je kunt rekenen op mijn discretie!" Hierop vertelde Nereus’ dochter haar verhaal aan Scylla.

Polyphemus, Galatea en Acis

"Acis, zoon van de waternimf Symaethis en van Pan, werd door zijn vader en moeder diep bemind, maar nog veel meer door mij. Hij alleen had mijn hart gewonnen, zo mooi was hij! Hij was pas zestien jaar oud; zijn jongenswangen werden beschaduwd door een beginnende baard. Ik hield alleen maar van hem maar de cycloop hield van mij.

Als je mij vraagt wat sterker was, mijn haat voor de cycloop of mijn verliefdheid voor Acis, dan zal ik je dit vertellen: beide gevoelens waren even sterk. Ach, Moeder Venus, jij regeert over een waarlijk groot gebied, want die barbaarse cycloop die zelfs bossen doet huiveren, die elke vreemdeling met een wrede straf ontvangt en de goden op de machtige Olympus minacht, voelde nu liefde. Hij werd door felle liefdegloed verschroeid, hij dacht niet langer aan zijn vee en aan zijn grot. Nee, Polyphemus zat zich op te doffen, hij wou mij zo graag behagen. Hij kamde met een hark zijn stugge haren en snoeide zijn ruige baard met een soort kapmes. Steeds opnieuw moest hij zijn woeste kop in het water spiegelen en fatsoeneren. Zijn moordlust, zijn wrede kracht en zijn niet te stillen dorst naar bloed verdwenen; schepen konden veilig aanmeren en vertrekken.

In die tijd verbleef ook Telemus, Eurymus’ zoon, aan de voet van de Etna op Sicilië. Hij was een ziener die de vogels begreep. Hij kwam bij de cycloop Polyphemus en zei:

'Dat ene oog in je hoofd zal door Odysseus worden verblind.'

Maar smalend riep de ander:

'Slecht gezien, profeet! Een vrouw heeft mij al lang verblind!'

En daarmee luisterde hij niet naar de waarheid en liep met zware stap langs het strand, tot hij moe werd en naar zijn duister hol terugkeerde. Er stak een wigvormige klif met een lang gerekte punt in zee die aan elke kant omspoeld werd door golven. De woeste Cycloop klom daarop en zette zich neer. Hij lette niet op de wollige schapen die hun meester gevolgd waren. Hij liet de boomstam die hij bij zich had en die erg leek op een mast voor een zeilschip, aan zijn voeten rusten en greep zijn rietfluit die uit wel uit honderd stengels was samengevoegd. De hele streek en ook de zee kon nu van zijn herderlijke muziek genieten. Ook ik, die verscholen zat in een grot; ik rustte tussen de benen van mijn geliefde Acis; daar kon ik Polyphemus ondanks de afstand goed verstaan.

'Jij, Galatea, bent witter dan het blad van ligusters, bloemrijker dan een wei en slanker dan een hoge els. Jij schittert mooier dan glas en bent speelser dan een levendig geitje, jij voelt gladder aan dan schelpen in de zee die door de golfslag zijn opgeblonken. Je bent aangenamer dan de winterzon en de schaduw in de zomer, rijker dan palmen en sierlijker dan een groeiende plataan. Jij bent helderder dan ijs, zoeter dan rijpe druiven en zachter dan zwanendons. Je bent frisser dan een goed besproeide tuin.

Ik wil niet dat je me ontglipt, want je bent ook wreder dan een stier, harder dan oeroud eikenhout en bedrieglijker dan water. Je bent ook taaier dan wilgentakken of de rank van een witte wingerd en kouder dan deze rots. Je bent nog woester dan een bergstroom, trotser dan veelgeprezen pauwen en pijnlijker dan vuur. Je bent scherper dan distels, grimmiger dan een berin met jongen en dover dan de zee. Je bent gemener dan een adder in het gras, je zou sneller vluchten dan herten, opgejaagd door luid geblaf en vooral dat laatste zou ik je graag beletten, als ik maar kon. Je bent sneller dan de wind en hun vederlichte briesjes!

Als jij me goed leert kennen, krijg je spijt dat je mij al die tijd ontlopen bent en probeer je mij zelfs vast te houden! Ik heb een grot, die in de stenen bergwand verscholen ligt; in de zomergloed kent ze geen zonnestralen en in de winter voelt ze geen koude. Er groeien vruchten, takken vol, en in mijn wijngaard hangen lange rijen druiven, deels goud glanzend, deels fonkelrood, en beide soorten koester ik voor jou. Aardbeien, rijp geworden onder e rijke schaduw van de bomen, kun je er eigenhandig plukken net als herfstkornoelje en pruimen, niet alleen de donkerblauwe, sappige, maar ook de meer verfijnde soort die goudgeel is als gesmolten bijenwas.

Als je mijn vrouw wordt, heb je nooit tekort aan heesterbessen noch aan kastanjes; elke boom zal daar je dienaar zijn. En ook dit vee is van mij; veel van mijn dieren dwalen nog over de hellingen, veel in het bos, veel staan er thuis op stal; en mocht je willen weten hoeveel - dat kan ik gewoon niet zeggen: alleen wie arm is, telt zijn schapen. En wanneer je denkt dat ik alleen maar opschep, kom dan zelf eens bij me kijken hoe krap hun poten rond de strak gespannen uiers staan. Mijn jonger vee, de lammetjes, zit in de beschutte hokken; in andere hokken zitten bokjes van hetzelfde jaar.

Ik heb altijd voldoende romige melk; een deel bewaar ik om van te drinken en de rest wordt tot kaas verwerkt. Je krijgt van mij speciale troeteldieren, niet alleen wat iedereen aan iedereen geeft: reeën, haasjes, bokjes, een koppel duiven of een uit de boom gevallen nest. Nee, jij krijgt ook twee welpen van een harige berin om mee te spelen; ze gelijken als twee druppels water op elkaar. Ik vond ze in de hoge bergen en dacht direct: '‘Die zijn voor Galatea.'

Toe, steek je mooie hoofd nu toch eens uit de blauwe zee, kom, Galatea, kom dan! Wijs niet af wat ik je aanbied! Ik ken mezelf heel goed, ik zag zojuist mijn spiegelbeeld in helder water en wat ik zag beviel mij! Kijk dan hoe groot ik ben! Mijn lichaam doet bepaald niet onder voor dat van jullie hemelgod, want jullie roepen vaak dat daar een Jupiter regeert, en kijk, mijn stoere hoofd heeft heel wat haar, dat als een bos mijn schouders overschaduwt. En je mag mijn lichaam, dat dichtbegroeid is met stekelig gewas, niet lelijk vinden! Bomen zonder blaadjes zijn lelijk, een paard is lelijk als zijn nek geen blonde manen draagt, vogels dragen een verenkleed, schapen pronken met hun wollige vacht, bij mannen past een baard en ruige haargroei op het lichaam.

Ik heb een oog in het midden van mijn voorhoofd, maar het is zo groot als een machtig schild. En dan? De grote zon neemt vanuit de lucht toch ook alles waar? En hij heeft maar een ronde oogbol! Bedenk ook dat mijn vader heerser is in jullie zee, door mij word jij Neptunus dochter! Toon nu medelijden en luister naar een smekeling!

Ik kniel alleen voor jou; ik die om Jupiter, zijn hemel en fatale bliksems niets geeft, ik aanbid jou wel, een kind van Nereus. Jouw afkeer treft mij dieper dan bliksemvuur, en ik zou die nog verdragen als je alle mannen negeerde. Waarom verstoot je mij en houd je wel van Acis? Waarom geen cycloop omhelzen en Acis wel? Die mag dan blij zijn met zichzelf en jij met hem - helaas - maar Galatea, als ik de kans krijg, zal hij wel merken dat mijn kracht mijn grootte evenaart.

Ik zal zijn levende organen uitrukken, hem in stukken uitstrooien over land en zee, jouw zee, dan is hij toch weer bij je. Want ik brand van liefde en mijn liefdesvuur laait hoger op door liefdespijn: het voelt alsof mijn hart de Etna met zijn vuur meesjouwt. Maar jij blijft ongevoelig, Galatea.'

Ik kon alles goed zien; Polyphemus stond na deze klaagzang op en liep rusteloos rond, als een woeste stier die van zijn koe gescheiden is. Hij zwierf door zijn vertrouwde bossen tot hij me vond, in de schoot van Acis. Wij waren ons van geen kwaad of gevaar bewust.

Maar Polyphemus schreeuwde met een stem die zelfs de Etna deed beven:

'Ik zie jullie wel, jullie laatste Venusuurtje heeft geslagen!'

Ik dook in mijn doodsangst het water in. Ook Acis sloeg op de vlucht en riep:

'Help me, Galatea, ik smeek je. Vader! Moeder! Help! Als jullie me niet verbergen in jullie wateren, ben ik verloren!'

Maar de Cycloop zat hem al op de hielen en gooide een rotsblok dat hij uit een berg gerukt had. Acis werd verpletterd, hoewel alleen een hoekje van het gevaarte hem raakte. Ik was machteloos en kon alleen toestaan wat het lot beschikt had: Acis kreeg dezelfde krachten als zijn vader en moeder.

Van onder de rots drupte een felrood bloedspoor, maar na een tijdje begon de kleur van het bloed te veranderen en kreeg het de kleur van een rivier die door een stortbui vertroebeld is en langzaam weer helder wordt. Daarna barstte de rots die Acis gedood had; op die plaats groeiden doorheen de spleten slanke en welige rietpluimen en bruiste water. En - wonderlijk om zeggen - daar verrees plots uit dat water een man, zijn hoofd was omkranst met gevlochten riet. Het was Acis, maar zijn nieuwe verschijning was groter en was waterblauw. Zijn naam bleef bestaan, maar hij was in een rivier veranderd."

De nimfen zwommen weg in de kalme golfslag toen Galatea haar verhaal verteld had. Scylla die de diepe zee vreesde, wandelde op het strand waar ze naakt bleef ronddwalen en af en toe verfrissing zocht in een stille inham van de kust.

Vervolg van het verhaal over Scylla

Vanuit de diepe zee verscheen Glaucus, een nieuwe zeebewoner, die onlangs in Athedon bij Euboea in een zeegod was veranderd. Hij werd hopeloos verliefd toen hij Scylla zag, maar zij rende weg uit angst, ondanks zijn geruststellende woorden; ze zocht een toevlucht op een hoge berg bij de kust. De top van deze berg stak als een spitse punt boven het zee-oppervlak uit en de met bomen begroeide helling liep af naar de zee. Ze voelde zich daar veilig en bleef staan. Van daaruit keek ze verwonderd naar de verschijning waarvan ze niet wist of het een monster of godheid was.

Ze zag zijn kleur en zijn haar dat zijn schouders bedekte; ze zag een vissenstaart die heen en weer sloeg en die zijn onderlijf vormde. Glaucus leunde op een nabij gelegen rots, voelde haar blik en riep:

"Ik ben geen monster en ook geen woedend ondier, meisje lief. Ik ben een watergod die evenveel kracht bezit als Proteus of Triton. Ik ben ook een mens geweest maar ik was blijkbaar voorbestemd om in de diepe zee te leven; ook als mens was de zee mijn leven, ik werkte alleen op zee. Daar trok ik mijn netten naar de kust of wierp ik mijn hengelsnoer in zee van op een rots.

Naast die rots lag aan de ene kant een strand dat aan een groene weide grenst; daar groeiden kruiden waarvan nog nooit een koe, een schaapje of een bokje geproefd had; daar had geen bij naar honing gezocht, daar waren nooit bloemen voor een krans geplukt, daar had geen mens een kapmes gehanteerd.

Terwijl mijn vistuig daar lag te drogen, was ik de eerste die de weide betrad. Ik haalde mijn vis uit mijn netten. De ene stapel had ik met mijn net gevangen, de andere had ik met mijn hengel bovengehaald.

Wat toen gebeurde vond ik verdacht, maar daar heb ik nu niets meer aan. Terwijl mijn vangst op het gras lag, begonnen de vissen te glijden, te draaien en te kronkelen op de grond alsof ze in zee zaten. Ik zag mijn hele vangst in zee verdwijnen; ik stond versteld toe te kijken. Toen de vis verdwenen was, vroeg ik me af of er hier een god of toverkruid aan het werk was geweest. Maar ik twijfelde of een kruid zoveel kracht kon bezitten om dit te laten gebeuren; zo stond ik daar nog lang te twijfelen.

Toen plukte ik een handvol gras en zette er mijn tanden in. Nauwelijks had ik de onbekende sappen geproefd of ik voelde een brandend verlangen naar een ander element: water! Blijven staan was onmogelijk; ik riep de kuststreek vaarwel toe en zei:

'Ik keer hier niet meer terug!'
Dan sprong ik in de diepe zee en liet me door de golven omringen.

De goden namen mij op in hun gezelschap en vroegen Tethys en Oceanus mij van mijn sterfelijkheid te verlossen, wat ik een grote eer vond. Mijn mens-zijn werd me ontnomen door een spreuk die negenmaal werd uitgesproken; daarna kreeg ik de opdracht me in honderd stromen te wassen; onmiddellijk stroomden de rivieren van overal toe om me met hun water te overdekken.

Meer kan ik je niet vertellen want toen verloor ik het bewustzijn. Wat ik je wel nog kan vertellen: na mijn terugkeer voelde ik dat ik iemand anders geworden was, dat mijn geest iemand anders toebehoorde. En als je nu kijkt naar mij, zie je wat ik zag: deze zeewiergroene baard, al dit haar dat ik ver achter mij meesleep over de zee, mijn reusachtige schouders, mijn zilverblauwe armen en mijn voeten die omgebogen zijn tot een vissenstaart. Maar wat ben ik met dit alles, dit lichaam, deze goddelijkheid? Dat betekent niets als jij niet om me geeft!"

Maar Scylla vluchtte voor de god die deze woorden had gesproken en nog zoveel wou zeggen. Boos en bitter om Scylla’s onwil trok Glaucus naar het huis van de tovenares Circe, de titanendochter. De zeegod liet de Etna, die op de nek van een gigant ligt, achter zich. Hij verliet ook het land van de cyclopen en liet Sicilïe ver achter zich. Glaucus zwom krachtig door de Tyrrheense zee naar Circe, de dochter van de Zonnegod. Hij zwom tot bij de heuvels waar haar kruidentuin, haar toverdieren en haar paleis waren.

Ze maakten kennis en daarna zei hij:
>"Godin, ik smeek je, help mij, een god! Want jij bent de enige die mij kan helpen. En ik ben het waard, geloof me. Niemand, Circe, weet beter dan ik hoe groot de macht van kruiden kan zijn: ik werd immers door toverkruid veranderd. Luister, ik leg je uit waarom ik zo wanhopig ben. Op de Italiaanse kust, recht tegenover de muren van Zancle, zag ik een meisje, Scylla. Ik schaam me diep om hier voor jou opnieuw mijn smeekbeden en mijn afgewezen vleierijen te herhalen. Maar jij, die zo’n macht met toverspreuken bezit, zing voor mij zo’n spreuk. Als echter kruiden sterker en effectiever zijn, gebruik dan hun beproefde krachten. Ik vraag je niet om mij van mijn verliefdheid af te helpen, nee, van mijn verliefdheid genezen is niet nodig; ik wil alleen dat Scylla diezelfde verliefdheid voelt voor mij zoals ik die voel voor haar!"

Maar Circe was in haar hart gevoeliger voor de liefde dan anderen. Ofwel moest je de oorzaak bij haarzelf zoeken, ofwel bij de boze Venus die hiermee het verraad van Circe’s vader, de Zon, gestraft had. Circe richtte zich tot Glaucus en sprak:

"Zoek liever naar een vrouw die dezelfde verlangens met jou deelt, iemand die dezelfde hartstocht kent zoals jij die kent! Het is je gegund, en er bestaat een grote kans dat zo’n vrouw vanzelf op jou verliefd wordt. Geloof me, als je haar de kansen biedt, krijg je zo’n vrouw. Ook al ben ik een godin, ook al ben ik de dochter van de gouden Zon, ook al kan ik veel doen met kruid en toverspreuken, toch bid ik je: neem mij tot vrouw! Vergeet Scylla, ze weigert toch, neem mij tot vrouw, ik geef me volledig aan jou! Zo beloon je twee vrouwen met eenzelfde daad!"

Zo probeerde ze hem te verleiden, maar Glaucus antwoordde:

"Eerder zal er boomloof uit de zee groeien, eerder zul je zeewier op hoge bergtoppen vinden dan dat ik mijn liefde voor Scylla zal opgeven. Zolang Scylla leeft, leeft de liefde voor haar verder in mij."

Circe was diep beledigd, maar omdat ze Glaucus niet kon en niet wou pijn doen in haar verliefdheid, nam ze wraak op Scylla, voor wie zij verstoten was.

Onmiddellijk stampte ze kruiden met uiterst giftige stoffen fijn. Al stampend zong ze de vereiste toverspreuken en hulde zich daarna in een blauwe mantel. Bij het verlaten van het paleis werd ze omringd door een stoet van kwispelende, wilde dieren. Zo ging ze naar Rhegium dat tegenover de stad Zancle ligt. Door de branding ging ze de zee op. Ze liep over het tapijt van golven alsof ze over vaste grond liep; toch bereikte ze haar doel met droge voeten.

Haar doel was een kleine inham in de kust, het plaatsje waar Scylla graag ging rusten omdat ze zich er kon onttrekken aan de gloed van de zon als die haar hoogste punt had bereikt; de zee maakte haar bang, daar durfde ze geen koelte zoeken. Circe vervuilde het water van de baai met haar verderfelijk gif, daarna sprenkelde ze overal schadelijke plantensappen en prevelde duistere toverformules, spreuken vol onbekende woorden. Driemaal negenmaal herhaalde ze dit ritueel van klanken en woorden.

Toen Scylla in de baai aankwam, daalde ze tot haar middel in het water. Plots zag ze dat haar buik en heupen omkronkeld waren door een soort blaffende, zwarte monsters. Eerst dacht ze dat de monsters nog van haar lichaam te scheiden waren; ze probeerde ze vluchtend van zich af te slaan omdat ze er bang van was. Maar terwijl ze wegliep, sleepte ze de vervaarlijk kijkende hondenkoppen mee. Toen ze aan haar dijen, benen en voeten wou tasten, voelde ze die niet meer, ze voelde monsterachtige koppen. Dolle Cerberussen vormden nu haar onderlichaam en dierenlijven kronkelden tot haar buik en heupen die daar misvormd naar bovenuit staken. Scylla’s minnaar, Glaucus, vluchtte in tranen weg nadat hij zag wat Circe had aangericht; hij wou absoluut niet met Circe trouwen. Scylla bleef zoals ze toen was, monsterachtig lelijk.

Maar toen ze de kans kreeg om op Circe wraak te nemen, liet ze die niet liggen. Ze roofde Odysseus’ makkers en als ze niet in een omhoogstekende rots was veranderd zou ze Aeneas schepen opnieuw hebben doen vergaan. Nog steeds zeilen stuurlui voorzichtig langs deze klip.

28/02/2013

Kniertje


Kniertje is een armoedige vissersweduwe uit Scheveningen, wier man en twee zoons zijn overleden op zee. Haar overgebleven zoons zijn Geert en Barend, twee volwassen mannen die niet in de voetsporen van hun vader willen treden. Geert streeft ernaar marinier te worden en Barend is te bang voor water om ooit op zee te gaan.

Wanneer Reder Bos, één van de machtigste mannen van het dorp, een dikke verzekering weet af te sluiten voor het afstandse schip Op hoop van zegen, dwingt hij Kniertjes zoons lid te worden van de bemanning.

Geert raakt betrokken bij een vechtpartij als een man zijn verloofde beledigt in een bar. De gevolgen zijn enorm: hij verliest zijn recht ooit plaats te nemen bij de krijgsmacht. Geert houdt zijn hoofd hoog en keert terug naar zijn huis in Scheveningen. Kniertje is werkster bij de familie Bos, maar verdient niet genoeg om rond te komen. Hoewel onlangs een schip aan de haven is teruggekeerd met enkele overleden matrozen aan boord, smeekt ze haar zoons mee te gaan met de Op hoop van zegen. Ze kan het geld dat ze ermee zullen verdienen namelijk goed gebruiken en voor haar bestaat geen andere wereld dan het vissersbestaan.

Geert en Barend zien er tegenop de zee op te gaan. Geert heeft ruzie met Bos gekregen en wil in eerste instantie niet zijn werknemer zijn, terwijl Barend er van overtuigd is dat het schip doorgerot is. Kniertje drijft haar zin door en uiteindelijk gaan de mannen met tegenzin mee. Er gaan een aantal rustige weken voorbij. Op een avond breekt er echter een ernstige storm uit. De vrouwen in het dorp vrezen dat hun mannen op zee een verdrinkingsdood tegemoet gaan. Hun angst blijkt later de waarheid te zijn als Barend aangespoeld is teruggevonden.

Als Kniertje op de hoogte wordt gesteld van de tragische dood van haar zoon, stort ze volledig in. De inwoners gaan ervan uit dat de rest van de bemanning ook het loodje heeft gelegd. Ze proberen het verlies op hun eigen manier te verwerken. Sommigen verwijten Bos, omdat hij enkele mannen gedwongen heeft de zee op te gaan. De eerder strenge en kille Bos toont voor het eerst sympathie voor Kniertje en probeert haar te steunen, terwijl er nog geen woord is van de resterende mannen op zee.

22/02/2013

Oud Indisch scheppingsverhaal


Volgens een oud Indisch scheppingsverhaal schiep God nadat hij de wereld had geschapen eerst een schelp en legde deze op de bodem van de zee.

De schelp leefde niet echt een spannend leven. De hele dag deed hij niets anders dan zijn schaal opendoen om er wat zeewater met voedsel door te laten stromen, om vervolgens zijn schaal weer dicht te doen. Dag in dag uit niets anders dan schaal open, schaal dicht, schaal open, schaal dicht, schaal open, schaal dicht.

Vervolgens schiep God de adelaar. Hij gaf hem de vrijheid om in de lucht op te stijgen om zelfs de hoogste toppen te kunnen bereiken. De adelaar kon zonder beperkingen leven. Weliswaar moest de adelaar voor zijn vrijheid een prijs betalen. Dagelijks moest hij voor zijn prooi strijden. Niets viel hem in de schoot. Wanneer hij jongen had, moest hij vaak dagen jagen om voldoende voedsel te verzamelen. Deze prijs betaalde hij echter graag.

Uiteindelijk schiep God de mens en leidde hem eerst naar de schelp en vervolgens naar de adelaar. Daarna vroeg hij aan de mens welk leven hij wilde leiden. Of het vervelende lege leven van de schelp, of het avontuurlijke en uitermate vrije leven van de adelaar.

Nog steeds dient iedere mens voor één van de twee mogelijkheden te kiezen. Hij moet kiezen of hij geleefd wil worden of een echte persoonlijkheid wil worden. Iedereen heeft de keuze om volgeling of leider te zijn. De wereld roept hardop om sterke leiders. Onze steden roepen. Onze omgeving roept. En ook onze kinderen roepen. We hebben beide mogelijkheden en de verantwoordelijkheid om een baken van hoop, bemoediging en richting te zijn.

Fragment uit het boek De wetten van winnaars'
van Bodo Schäfer

19/02/2013

Tussen water en wind


Mythen, legenden en verhalen
van onze zee en onze kust


De duisternis van dichte wouden, de echo in diepe grotten en mist boven de moerassen lenen zich zoveel beter als schuilplaats voor trollen, geesten en andere angstaanjagende gedrochten dan de zee en het strand.

Maar wanneer het licht deemstert (wegkwijnt) over de zee, worden ook strand en duinen desolate plekken en onvermijdelijk ontstonden ook daar tal van sagen en legenden.Een deel van die verhalen ontsproten uit angst voor het duister. In een tijd waar alleen de maan wat licht gaf op het verlaten strand of de duinenpaadjes, moest er al niet veel gebeuren om klappertandend van angst naar huis te snellen met het verhaal dat men roesschaard was tegengekomen in de duinen, of de eeuwige kruier had gezien in de zee, of de nekker had ontmoet.

Leuke verhalen, die echter pas interessant worden als er verbanden worden gezocht met vroeger en nu, als hun ontstaan kan worden gelinkt aan waargebeurde feiten en aan de geschiedenis van onze Noordzeekust.

Katrien Vervaele sprokkelde en hervertelde.

Klik hier voor diverse spannende zeeverhalen.

12/02/2013

Langs het strand


Ze liepen naast elkaar langs het strand. Ze konden elkaar niet zien, niet horen, niet aanraken, maar ze voelden wel dat er naast hen iemand liep. Soms gaven ze elkaar stilzwijgend een hand en hoewel geen van beiden de hand van de ander daadwerkelijk zag of aanraakte, voelden ze zich samen, niet alleen.

Het is vanzelf zo gekomen. Beiden liepen ze al een hele poos samen langs het strand naast elkaar, zonder het te weten. En op een verre dag, ergens in de tijd, kwam er een moment waarop de één tegen de ander zei:

"Hé, wat fijn, jij loopt naast mij".

De één zei dat, alsof ze de ander al altijd had gekend, alsof het gewoon was en de ander knikte, was er gewoon blij mee. Eigenlijk waren ze verbaasd dat ze elkaar nog niet eerder hadden opgemerkt.

Geen van beiden had een bijzondere reden om gewoon naast de ander te blijven lopen. Het voelde gewoon goed, als een sjaal om je heen bij een koude wind, als een lichtende zaklamp bij duisternis. En geen van beiden stond erbij stil waarheen de weg langs het strand leidde en of het ooit koud zou worden of net te warm, of er ooit duisternis zou vallen, wat de nacht zou brengen en of er ooit op een dag storm zou zijn op zee. Geen van beiden vroeg zich ook maar iets af en liep gewoon door op dezelfde weg. Elk moment werd beleefd zoals het kwam.

Soms liep één van beiden een beetje harder, stapte te vlug en keek te weinig opzij, terwijl de ander nog genoot van de zachte zon of te moe was en even stil stond. Dan waren ze enkele meters van elkaar verwijderd. Maar dat duurde nooit lang, want steeds was er één van beiden die ofwel een stapje terug zette of wat sneller vooruitging tot ze weer samen liepen langs het strand.

Soms liepen ze naast elkaar en deed het pijn. Dat gebeurde wanneer één van beiden zich verwondde aan iets scherps. En hoewel de ander niet kon zien dat wie naast haar liep ook echt pijn leed, voelde ze het wel. Dan hadden ze even samen pijn. Maar toch wandelden ze verder langs het strand, zonder elkaar te zien, hand in hand. En de pijn verdween, want geen van beiden was alleen.

Vaak liepen ze lachend naast elkaar. Dan maakten ze grappen die als vrolijke zeepbellen dwarrelden en uiteen spatten op hun huid. Wat voelde het heerlijk om even gewoon alles te kunnen vergeten en mee te gaan in de vrolijkheid van wie naast jou loopt. Je zou dan wel willen dat het hele leven zo zonnig is.

Soms was één van beiden niet zo vrolijk, omdat het leven nu eenmaal niet altijd zonnig is. Regen valt soms onverwacht en brengt soms een sombere duisternis met zich mee. Dan was er de één die ging dansen in de regen en zacht de ander omarmde en meenam op weg naar meer licht. En ook al zagen ze elkaar niet, het effect van wonderlijke woorden, een onzichtbare omarming, was groots. Diegene die dan uit de duisternis opeens een zacht straaltje licht tevoorschijn zag komen, straalde en lachte weer spontaan naar de hele wereld. Het was geen gewone lach van het gezicht. Nee, het was een lach vanuit het hart, want de één had zonder enige tastbare aanraking het hart van de ander aangeraakt en een smeulend vlammetje werd weer een brandend vuurtje, warm en lichtgevend.

Soms struikelde één van beiden, over een steen die niet op het strand hoort te liggen, of soms gewoon over zichzelf. En dan was er altijd die andere, die zonder te zien, zonder te horen of aan te raken, zijn medewandelaar kon recht helpen en hindernissen uit de weg ruimen, zodat ze samen weer verder konden gaan. Geen van beide hoefde iets te doen voor de ander, geen van beide hoefde op de ander te wachten, maar ze deden het wel en er was geen 'waarom'.

Nog lopen ze samen langs het strand, zonder elkaar te zien, te horen of aan te raken. Nog voelen ze dat ze naast elkaar lopen en dat het gewoon zo is, zonder 'waarom'.

Ze begrijpen zo heel veel van elkaar en daardoor ook meer en meer van zichzelf. Ze voelen zoveel van elkaar en daardoor ook meer van zichzelf. Ze kijken naar elkaar en soms denken ze elkaar een beetje te zien.

En de maan lacht dun over het stille strand, dat stilaan duister wordt. Onder haar stille straaltje licht zetten we ons zwijgend neer. De maan knikt zacht naar beneden, bemoedigend en geruststellend, want moed … en rust … dat hebben we allemaal nodig.

Linda
Ogentroost.be

11/02/2013

Een onzichtbare wereld


Een Scheppingsverhaal gebaseerd op de Dode-Zeerollen
Geschreven door Brigitte Franssen

Er was eens, er is en er zal altijd zijn, een wereld, die onzichtbaar is. Onzichtbaar voor het blote oog is deze wereld het beste te omschrijven als een wereld van puur licht, zonder enige duisternis of schaduw.
Een stralende, sprankelende wereld van glanzend licht waar de Onvergankelijkheid, het Eeuwig Leven en Volmaakte Kracht verblijven. Vier lichten verlichten de vier hoeken van deze wereld. En elk heeft een naam.

Het eerste licht heet Armozel en zijn licht bestaat eigenlijk uit drie lichten: Genade, Waarheid en Schoonheid. Het tweede licht wordt Oroiaël genoemd en zijn licht bestaat uit Intelligentie, Waarneming en Herinnering. Het derde licht 'Daveithe' verlicht met Begrip, Liefde en het Idee. En het vierde licht 'Eleleth' straalt vanwege de Volmaaktheid, de Vrede en de Wijsheid. De wijsheid wordt ook wel Sophia genoemd. En met haar begint ons verhaal.

Sophia raakte namelijk verveeld. Verveeld van altijd de wijze te moeten zijn. Moe van altijd verstandig te moeten wezen. In haar wijsheid kon zij, wanneer zij het nodig achtte, beroep doen op de andere lichten zoals Waarheid, Begrip, Intelligentie, Waarneming, Herinnering, of op het nog groter, stralender en ouder licht Voorkennis.

Maar zij had zin om iets geks te doen. Om zomaar iets te doen, zonder overleg, zonder na te denken. Ze had zin om onbezonnen te zijn. En zo gehéél tegen haar aard in deed zij, zonder verder na denken, iets doms. Maar door haar domme streek ontstond een Schaduw. En deze Schaduw droeg de Dommigheid en de Onwetendheid waarin hij geboren was in zich.

Sophia's stralende glanzende wereld was niet langer een wereld van puur licht. Er was nu ook een schaduw, een duisternis. En toen ze zag wat het gevolg van haar onbezonnenheid was, werd ze bang. Hierdoor ontstond de Angst en de Angst vloeide in het duister van de Schaduw.

Om de duisternis van de Schaduw te verbergen, omwikkelde Sophia de Schaduw met een grote lichtgevende wolk. In het midden van die wolk richtte ze een troon op. En ze zei tot de Schaduw:

'Jongeling, stel jezelf aan over deze oorden!'

Wat de betekenis is van zijn naam 'Jaldabaoth'. Jaldabaoth bezit een massa gedaanten en verschillende bijnamen waaronder Saklas (de dwaze) en Samuël (blinde god). Maar Jaldabaoth bleef niet in zijn wolk. Hij keerde zich van Sophia af, verliet zijn troon en zwierf van de ene plaats naar de andere.

Het duurde niet lang voor zijn omzwervingen hem leidden naar een wereld waar de mens resideert. En hij maakte zichzelf koning over de wereld van de mensenziel en een duisternis gleed over hun wereld. Het begin van een donkere eeuwigdurende nacht, want vanaf toen lag de wereld van de mens in de schaduw van de Domheid, de Onwetendheid en de Angst. Hun heerschappij is te zien aan de chaos en vernietigingen in de wereld, en te horen aan het arrogant gekakel en ingewikkeld gebrabbel van de mensen. En Saklas lacht, geniet van zijn macht, de chaos, de verwoesting. Hij ziet niet dat in het holst van nacht enkelen ontsnappen. Hij ziet alleen wat hij wil zien en wat hij kent, de duisternis, het donker.

Maar denk daarom niet dat het ontsnappen aan zijn macht gemakkelijk is. Want wie wil in het pikkedonker een nieuwe, onbekende weg opgaan? Wie verstijft niet van de Angst bij de gedachte alleen al? Maar zij die ontsnappen haten het donker. Ze haten hun eigen angstvalligheden, hun dommigheden, hun eigen onnozelheid en hun onmacht er iets tegen te doen. Ze haten het zozeer dat ze in het holst van de nacht al hun moed verzamelen en op pad gaan. En omdat ze de waarheid onder ogen hebben willen zien, vinden ze een stil en verlaten pad dat ook wel het pad van de Eerlijkheid ofwel het rechte pad genoemd wordt.

Het is een eenzaam pad dat elk voor zich en alleen aflegt. Maar omdat op dit pad niets verborgen wordt in het donker van de eeuwigdurende nacht, wordt dit pad, maar dan ook alléén dit pad, verlicht door de Waarheid. En met elke stap op het rechte pad wordt haar licht sterker en groter. Stapje voor stapje, wordt de Duisternis een Schaduw, die er eens was, er misschien nog is, maar straks niet meer zal zijn. Want wanneer de Waarheid haar licht werpt op de Duisternis, zal de Duisternis oplossen. En beetje bij beetje wordt zichtbaar wat door de Duisternis verborgen werd. Een wereld van licht, stralend sprankelend licht. Een wereld vol van Wijsheid, Liefde en Begrip. Een wereld waar de Onvergankelijkheid en het Eeuwig Leven vertoeven. Een wereld waar de ziel van de mens haar thuis hervindt. Een wereld, die er altijd was, altijd is en altijd zal zijn. Een stralende, schitterende wereld, onzichtbaar voor het blote oog.

10/02/2013

Row, row, row your boat


Row, row, row your boat
gently down the stream;
merrily, merrily, merrily, merrily,
life is but a dream!

The hidden message of the old nursery rhyme

Row, row, row your boat
By Brigitte Franssen

I woke up with an uneasy feeling. I had dreamt I was driving a car way too fast, almost not making the corners, almost losing control but unable to slow down or use the brakes. I had dreamt this dream many times before and it always left me feeling powerless, not in control and exhausted.

This was not a great way to start the day. I looked at the alarm clock. "Shoot, that late already." I had to get up quickly. There were so many things to do today. So little time, so many things to do!

That whole day I rushed from one thing to the other, already thinking about the next thing to do while still working on the other. And before I knew it, it was time to go to bed again. But I still had a book to read. A dear friend had given it to me for my birthday and I felt guilty for not having read it yet.

The book was bigger than normal and at the front it read, in big golden letters, 'A timeless keepsake for you to treasure'. I opened the book and read: "My Nursery Collection". Oh, this was nice; a book with all the old nursery rhymes. I flipped through the pages and my eye caught an old and well-known nursery rhyme.

Could this be true? Could I just go with the flow? Could, would, everything still be all right if I took it a bit easier? Was this what my dreams were telling me as well? Was I paddling too hard? Was I making waves in otherwise calm waters?

I decided that for a day I would try to take things easy and see where that would lead me. I tried but still found myself rushing and pushing. I tried a second day and a third. The days became weeks and the weeks became months. The funny thing was that the better I succeeded in going with the flow, the more things got done. And the less I pushed and paddled, the better things and life in general became.

So to me, life is indeed like a dream. By changing my own mindset, so did my life. Think about it. Maybe there is nothing in life that is out of your control and maybe there is nothing that can really harm you, except yourself. Just like in dreams.

All I know is that this morning I woke up with those warm and rosy feelings left after dancing under a moonlight sky in the arms of a handsome and loving man. But that was not a dream, at all at all! ... or was it?

A nursery rhyme
so short and fine
tells a truth
only known to the divine;

Life is but a dream
in a boat on a stream.
There is no proof
but it is the truth.

08/02/2013

Het lied van de parel - het vergeten lievenslied


Het Lied van de parel is een eeuwenoud verhaal dat op symbolische wijze de weg die de mens heeft af te leggen, weergeeft. Het verhaal gaat hierdoor meermaals ons verstand en begrip te boven, maar dit geldt niet voor het hart.
Het hart zal de waarheid herkennen en de strekking van dit lied aanvoelen. Zolang de weg naar het hart niet versperd is door angst, ijdelheid, luiheid of andere demonen, bezit dit verhaal, dit lied, de macht om ons via het hart de mysteries van ons leven en van onze ziel bloot te leggen.

Maar zelfs als we het verhaal niet begrijpen, is het kennen ervan als een gesloten schatkist, die zich ergens op onze weg op het juiste moment zal openen om dan te kunnen zien en begrijpen.

Toen ik nog een klein meisje was,
lang lang geleden en toch was het pas gisteren,
woonde ik in het Koninkrijk van mijn Ouderlijk huis.
Daar, waar ook jij, mijn kleine prinses, eens woonde.
En ik baadde, net zoals jij deed,
in de rijkdom van mijn Vader en Moeder
en genoot van hun pracht.
Tot op de dag
dat zij mij vanuit het Oosten, ons vaderland,
op reis stuurden.

Uit de rijkdom van onze schatten
gaven zij mij voedsel
en voorraden mee voor onderweg.
Het was een last,
rijk en toch zo licht
dat ik haar alleen kon dragen:
Goud van het land van het huis van Ellaya;
Zilver van Gazak de Grote;
Agaat van Indië;
Opaal van het huis van Kashan.

En ze gaven me een riem van Adamant
wat de kracht bezit
om zelfs ijzer te verpulveren.
Maar het prachtige kleed
dat zij uit liefde
voor mij hadden gemaakt,
moest ik achterlaten.
En ook de paarse mantel,
die speciaal voor mijn postuur en gestalte gewoven was,
moest ik afdoen.

Vader en Moeder sloten met mij een verbond
en schreven dit in mijn hart
zodat ik het niet zou vergeten:
Wanneer je naar Egypte, het lagere land, reist
en de parel haalt,
die zich in een door een sissende slang omringde zee bevindt,
zul je je prachtig kleed
en de mantel die daarbij hoort weer aantrekken.
Samen met je broer, de prins,
zul je dan erfgenaam in ons Koninkrijk zijn.

Zo verliet ik het Oosten, ons vaderland,
en reisde vergezeld door twee boden naar beneden,
want de weg was moeilijk en gevaarlijk
en ik was nog jong.

Ik trok over de grens van Maishan,
de trefplaats van de kooplui van het Oosten,
en bereikte het land van Babel.
Ik ging de muren van Sarbug binnen
en daalde verder af naar Egypte
waar mijn twee begeleiders mij verlieten.

Regelrecht begaf ik mij naar de slang
en ging bij haar zitten,
wachtend tot zij zou insluimeren en slapen
zodat ik haar de parel zou kunnen ontnemen.

Alleen en eenzaam was ik.
Ik leefde als een kluizenaar
en was een vreemde
voor de medebewoners van mijn herberg.
Daar zag ik Eén van mijn geslacht,
een vrijgeborene uit het Oosten.

Een jonge koningszoon,
knap en beminnelijk.
Hij was de zoon van de Gezalfden,
zij die ingezalfd zijn met olie
waardoor het water van de zee
hun niet kan raken.

Hij werd mijn trouwe metgezel
en ik waarschuwde hem
tegen de Egyptenaren
en de omgang met de onreinen.

Toch kleedde ik mij in hun kleren.
Ik wilde niet
dat ik door hun verafschuwd zou worden
of er uitzag als iemand die uit den vreemde komt
om de parel weg te pakken.
Zij zouden dan de slang
tegen mij op kunnen zetten.
Maar op de één of andere manier
bemerkten ze toch
dat ik niet hun landgenoot was.

Ze benaderden mij
en bereidden mij een drank van hun listen
en gaven mij van hun voedsel te eten.
Door de zwaarte van hun voedsel en drank
viel ik in een diepe slaap.
Zo vergat ik wie ik was,
en ik diende hun koning.
Ik vergat de parel
waarvoor mijn ouders
mij op reis hadden gestuurd.

Niets van alles
wat mij overkomen was,
was mijn Vader
noch mijn Moeder ontgaan
en Zij treurden over mij.
Een boodschap werd uitgezonden
in ons Koninkrijk.

Dat allen aan de poorten zouden komen:
de koningen en prinsen van het koninklijk hof
en alle adellijken van het Oosten.

Zij smeedden een plan.
Ik zou niet aan mijn lot
in Egypte, het lagere land, overgelaten worden.
Zij schreven mij een brief
en iedere nobele ondertekende de brief met zijn naam.
Van je Vader, Koning der Koningen
en je Moeder, de Geliefde, die regeert over het Oosten
en van je broer, de prins.
Aan jou, onze dochter, daar beneden in Egypte,
Gegroet!

Herinner je, je koninklijke afkomst.
Kijk en zie, wie is het die je dient.
Kijk en zie, je slavernij.
Kijk en zie, wie is het die je als een slaaf dient.
Denk aan de parel
waarvoor je naar Egypte bent gereisd.
Herinner je, je prachtig kleed en je glorieuze mantel,
die je beide zult dragen
wanneer jouw naam gelezen kan worden
in het Boek der Helden
en dat je samen met je broer, de prins
dan erfgenaam zult zijn in ons Koninkrijk.
<
De brief was kort
en verzegeld door de Koning
met zijn Rechterhand
ter bescherming
tegen de kinderen van Babel, de valserikken
en de wrede demonen van Sarbug.
De brief vloog op
in de gedaante van de Adelaar,
de Koning van alle gevleugelde stammen,
daalde naast mij neer en werd geheel tot stem.

De fiere klank van Zijn stem
en het majestueuze geruis van Zijn vleugels
deed mij uit mijn diepe slaap ontwaken.

Ik stond op
nam de brief
kuste hem
en begon te lezen.
De woorden van de brief
waren dezelfde als die in mijn hart
waren geschreven.

Ik herinnerde me mijn Koninklijke afkomst
en mijn Koninklijk bloed
verlangde naar zijn eigen Aard.
Ik herinnerde me weer de parel
waarvoor ik naar Egypte was gereisd
en begon de luid sissende slang te betoveren.
Ik wiegde hem in slaap door hem
de naam van mijn Vader, de naam van de prins
en de naam van mijn Moeder
voor te zingen.

Zo greep ik de parel
en keerde om naar huis.
De viese en vuile kleren trok ik uit
en liet ik in hun land achter.
Ik ging op pad naar het licht
van het land in het Oosten,
het land van de altijd opkomende zon.
De brief ging voor mij uit
en zoals Zijn Trotse stem me wakker geschud had
zo voedde Zijn eerbiedwaardigheid mijn Eerbied.

En Zij,
die woont in het paleis van de Koning der Koningen,
verlichtte met Haar aanwezigheid mijn weg.
en Haar Liefde trok me verder.

Ik passeerde Sarbug,
liet Babel links liggen
en bereikte de kust,
waar verweerd en ruw door de vele aanslagen van de zee
de haven van handelaren,
de grote Maishan, ligt.

Mijn prachtig kleed
en de glorieuze mantel,
die daarbij past,
werden door mijn ouders
op de handen van de schatbewaarders,
die in hun waarheid hiermee toevertrouwd konden worden
naar mij toegebracht.
Want ik was nog een kind geweest
toen ik mijn Ouderlijk huis verliet
en de schittering van mijn gewaad vergeten.

Toen ik het kleed en de mantel echter zag,
leek het gewaad een spiegelbeeld van mijzelf te worden.
Ik keek in dit beeld
en ik zag
het Geheel in Alles
en ik ontving
Alles in het Geheel.
Want we zijn
Twee in Verscheidenheid
en toch Eén en dezelfde.

En ook de schatbewaarders,
die me het gewaad gebracht hadden,
zag ik zo.
Twee en Verscheiden te zijn
en toch Eén.
Want het Teken van de Koning,
de handen van Hem,
die door zijn schatbewaarders
mijn vertrouwen en aanspraak op koningschap herstelden,
stond op beide geschreven.

Mijn prachtig kleed
was versierd met glorieuze kleuren:
met goud en het groen van Beril;
met de veelkleurigheid van Agaat;
met het melkachtige wit van Opaal;
en met het geel, bruin en rood van Sardonyx.
In zijn huis
in de Verheven Hoogten
was het gewaad
met vakmanschap bewerkt en afgemaakt.

Met onbreekbare, diamante gespen
waren alle naden herverzekerd.
En het beeld van de Koning der Koningen
was er in zijn volledigheid
opgeborduurd en op vastgesmeden.
En over de gehele mantel
zag ik in allerlei tinten
zoals de steen van saffier
de glans en schittering
van Kennis en Wijsheid, mijn Moeder.

Ook zag ik
dat het gewaad
zich voorbereidde om te spreken.
Ik hoorde de klanken van zijn muziek,
die het fluisterde
terwijl het afdaalde:

"Ik, Ik ben de energie en de kracht in de daden
voor welke ik door mijn Vader werd grootgebracht.
Ik zag hoe mijn gestalte
overeenkomstig met deze werken groeide."

En met koninklijke bewegingen
spreidde het gewaad zich volledig boven mij uit
en de handen van zijn gevers
spoorden mij aan
om het aan te nemen.

Uit Liefde, mijn Moeder
en de Moeder van mijn Vader,
rende ik het gewaad tegemoet.
Ik reikte omhoog
en nam het gewaad aan.

Ik versierde mij
met de glorieuze kleuren van mijn kleed
en omhulde me volledig
met de zacht glanzende tinten van mijn mantel.
Ik kleedde mij met het kleed en de mantel
en steeg op
tot de Poort der Begroeting en Verering.
Ik boog voor
de Koninklijkheid van mijn Vader,
die me gestuurd had.
Want ik had zijn Wens vervuld
zoals ook Hij deed wat Hij beloofde.

Bij de Poort van zijn thuisgebleven zonen
verenigde ik me met de prins
want we zijn
Twee in Verscheidenheid
en toch Eén
en Hij,
had me met blijheid ontvangen
en ik was met Hem in zijn Koninkrijk.
Hij,
aan wie het totaal van zijn Dienaren
met zoet klinkende stem
lof toezingt.

Hij,
had beloofd
dat ik met Hem
naar het Hof van de Koning der Koningen
zou gaan.
Samen met mijn parel
en Hem
zou ik verschijnen
aan onze Koning
als een koning.