The sea, once it casts its spell,
holds one in its net of wonder forever.

Jacques Cousteau
Posts tonen met het label Water mythologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Water mythologie. Alle posts tonen

06/03/2013

Circe and Scylla, John M. Strudwick, 1886

Scylla beloerde hen van rechts, van links dreigde Charybdis die schepen roofde, opslokte en weer uitspuwde. Scylla had een onderlichaam dat begroeid was met blaffende hondenkoppen. Ze had wel een vrouwenhoofd en als niet alles wat dichters zeggen gelogen is, dan was zij ooit een vrouw.

Veel minnaars dongen naar haar hand. Zij wees hen allen af; daarna ging ze aan de waternimfen die graag naar haar luisterden, vertellen hoe ze zo’n verliefde vrijer had afgeschud.

Op een keer, toen ze het haar van Galatea mocht kammen, zuchtte Galatea enkele malen diep en zei haar:

"Jij heb ten minste nog beschaafde minnaars die je ongestraft kunt afwijzen, wat je ook doet. Maar ik, een kind van Nereus zelf, door de zeegodin Doris gebaard en veilig omringd door mijn zusters, kon de Cycloop die naar mijn hand dong, slechts met veel verdriet afwijzen."

Tranen beletten haar om verder te spreken. Ze veegde die met helderwitte hand weg; toen zei Scylla troostend tegen de nimf:

"Vanwaar komt dit leed, lieve vriendin? Verberg het niet. Je weet dat je kunt rekenen op mijn discretie!" Hierop vertelde Nereus’ dochter haar verhaal aan Scylla.

Polyphemus, Galatea en Acis

"Acis, zoon van de waternimf Symaethis en van Pan, werd door zijn vader en moeder diep bemind, maar nog veel meer door mij. Hij alleen had mijn hart gewonnen, zo mooi was hij! Hij was pas zestien jaar oud; zijn jongenswangen werden beschaduwd door een beginnende baard. Ik hield alleen maar van hem maar de cycloop hield van mij.

Als je mij vraagt wat sterker was, mijn haat voor de cycloop of mijn verliefdheid voor Acis, dan zal ik je dit vertellen: beide gevoelens waren even sterk. Ach, Moeder Venus, jij regeert over een waarlijk groot gebied, want die barbaarse cycloop die zelfs bossen doet huiveren, die elke vreemdeling met een wrede straf ontvangt en de goden op de machtige Olympus minacht, voelde nu liefde. Hij werd door felle liefdegloed verschroeid, hij dacht niet langer aan zijn vee en aan zijn grot. Nee, Polyphemus zat zich op te doffen, hij wou mij zo graag behagen. Hij kamde met een hark zijn stugge haren en snoeide zijn ruige baard met een soort kapmes. Steeds opnieuw moest hij zijn woeste kop in het water spiegelen en fatsoeneren. Zijn moordlust, zijn wrede kracht en zijn niet te stillen dorst naar bloed verdwenen; schepen konden veilig aanmeren en vertrekken.

In die tijd verbleef ook Telemus, Eurymus’ zoon, aan de voet van de Etna op Sicilië. Hij was een ziener die de vogels begreep. Hij kwam bij de cycloop Polyphemus en zei:

'Dat ene oog in je hoofd zal door Odysseus worden verblind.'

Maar smalend riep de ander:

'Slecht gezien, profeet! Een vrouw heeft mij al lang verblind!'

En daarmee luisterde hij niet naar de waarheid en liep met zware stap langs het strand, tot hij moe werd en naar zijn duister hol terugkeerde. Er stak een wigvormige klif met een lang gerekte punt in zee die aan elke kant omspoeld werd door golven. De woeste Cycloop klom daarop en zette zich neer. Hij lette niet op de wollige schapen die hun meester gevolgd waren. Hij liet de boomstam die hij bij zich had en die erg leek op een mast voor een zeilschip, aan zijn voeten rusten en greep zijn rietfluit die uit wel uit honderd stengels was samengevoegd. De hele streek en ook de zee kon nu van zijn herderlijke muziek genieten. Ook ik, die verscholen zat in een grot; ik rustte tussen de benen van mijn geliefde Acis; daar kon ik Polyphemus ondanks de afstand goed verstaan.

'Jij, Galatea, bent witter dan het blad van ligusters, bloemrijker dan een wei en slanker dan een hoge els. Jij schittert mooier dan glas en bent speelser dan een levendig geitje, jij voelt gladder aan dan schelpen in de zee die door de golfslag zijn opgeblonken. Je bent aangenamer dan de winterzon en de schaduw in de zomer, rijker dan palmen en sierlijker dan een groeiende plataan. Jij bent helderder dan ijs, zoeter dan rijpe druiven en zachter dan zwanendons. Je bent frisser dan een goed besproeide tuin.

Ik wil niet dat je me ontglipt, want je bent ook wreder dan een stier, harder dan oeroud eikenhout en bedrieglijker dan water. Je bent ook taaier dan wilgentakken of de rank van een witte wingerd en kouder dan deze rots. Je bent nog woester dan een bergstroom, trotser dan veelgeprezen pauwen en pijnlijker dan vuur. Je bent scherper dan distels, grimmiger dan een berin met jongen en dover dan de zee. Je bent gemener dan een adder in het gras, je zou sneller vluchten dan herten, opgejaagd door luid geblaf en vooral dat laatste zou ik je graag beletten, als ik maar kon. Je bent sneller dan de wind en hun vederlichte briesjes!

Als jij me goed leert kennen, krijg je spijt dat je mij al die tijd ontlopen bent en probeer je mij zelfs vast te houden! Ik heb een grot, die in de stenen bergwand verscholen ligt; in de zomergloed kent ze geen zonnestralen en in de winter voelt ze geen koude. Er groeien vruchten, takken vol, en in mijn wijngaard hangen lange rijen druiven, deels goud glanzend, deels fonkelrood, en beide soorten koester ik voor jou. Aardbeien, rijp geworden onder e rijke schaduw van de bomen, kun je er eigenhandig plukken net als herfstkornoelje en pruimen, niet alleen de donkerblauwe, sappige, maar ook de meer verfijnde soort die goudgeel is als gesmolten bijenwas.

Als je mijn vrouw wordt, heb je nooit tekort aan heesterbessen noch aan kastanjes; elke boom zal daar je dienaar zijn. En ook dit vee is van mij; veel van mijn dieren dwalen nog over de hellingen, veel in het bos, veel staan er thuis op stal; en mocht je willen weten hoeveel - dat kan ik gewoon niet zeggen: alleen wie arm is, telt zijn schapen. En wanneer je denkt dat ik alleen maar opschep, kom dan zelf eens bij me kijken hoe krap hun poten rond de strak gespannen uiers staan. Mijn jonger vee, de lammetjes, zit in de beschutte hokken; in andere hokken zitten bokjes van hetzelfde jaar.

Ik heb altijd voldoende romige melk; een deel bewaar ik om van te drinken en de rest wordt tot kaas verwerkt. Je krijgt van mij speciale troeteldieren, niet alleen wat iedereen aan iedereen geeft: reeën, haasjes, bokjes, een koppel duiven of een uit de boom gevallen nest. Nee, jij krijgt ook twee welpen van een harige berin om mee te spelen; ze gelijken als twee druppels water op elkaar. Ik vond ze in de hoge bergen en dacht direct: '‘Die zijn voor Galatea.'

Toe, steek je mooie hoofd nu toch eens uit de blauwe zee, kom, Galatea, kom dan! Wijs niet af wat ik je aanbied! Ik ken mezelf heel goed, ik zag zojuist mijn spiegelbeeld in helder water en wat ik zag beviel mij! Kijk dan hoe groot ik ben! Mijn lichaam doet bepaald niet onder voor dat van jullie hemelgod, want jullie roepen vaak dat daar een Jupiter regeert, en kijk, mijn stoere hoofd heeft heel wat haar, dat als een bos mijn schouders overschaduwt. En je mag mijn lichaam, dat dichtbegroeid is met stekelig gewas, niet lelijk vinden! Bomen zonder blaadjes zijn lelijk, een paard is lelijk als zijn nek geen blonde manen draagt, vogels dragen een verenkleed, schapen pronken met hun wollige vacht, bij mannen past een baard en ruige haargroei op het lichaam.

Ik heb een oog in het midden van mijn voorhoofd, maar het is zo groot als een machtig schild. En dan? De grote zon neemt vanuit de lucht toch ook alles waar? En hij heeft maar een ronde oogbol! Bedenk ook dat mijn vader heerser is in jullie zee, door mij word jij Neptunus dochter! Toon nu medelijden en luister naar een smekeling!

Ik kniel alleen voor jou; ik die om Jupiter, zijn hemel en fatale bliksems niets geeft, ik aanbid jou wel, een kind van Nereus. Jouw afkeer treft mij dieper dan bliksemvuur, en ik zou die nog verdragen als je alle mannen negeerde. Waarom verstoot je mij en houd je wel van Acis? Waarom geen cycloop omhelzen en Acis wel? Die mag dan blij zijn met zichzelf en jij met hem - helaas - maar Galatea, als ik de kans krijg, zal hij wel merken dat mijn kracht mijn grootte evenaart.

Ik zal zijn levende organen uitrukken, hem in stukken uitstrooien over land en zee, jouw zee, dan is hij toch weer bij je. Want ik brand van liefde en mijn liefdesvuur laait hoger op door liefdespijn: het voelt alsof mijn hart de Etna met zijn vuur meesjouwt. Maar jij blijft ongevoelig, Galatea.'

Ik kon alles goed zien; Polyphemus stond na deze klaagzang op en liep rusteloos rond, als een woeste stier die van zijn koe gescheiden is. Hij zwierf door zijn vertrouwde bossen tot hij me vond, in de schoot van Acis. Wij waren ons van geen kwaad of gevaar bewust.

Maar Polyphemus schreeuwde met een stem die zelfs de Etna deed beven:

'Ik zie jullie wel, jullie laatste Venusuurtje heeft geslagen!'

Ik dook in mijn doodsangst het water in. Ook Acis sloeg op de vlucht en riep:

'Help me, Galatea, ik smeek je. Vader! Moeder! Help! Als jullie me niet verbergen in jullie wateren, ben ik verloren!'

Maar de Cycloop zat hem al op de hielen en gooide een rotsblok dat hij uit een berg gerukt had. Acis werd verpletterd, hoewel alleen een hoekje van het gevaarte hem raakte. Ik was machteloos en kon alleen toestaan wat het lot beschikt had: Acis kreeg dezelfde krachten als zijn vader en moeder.

Van onder de rots drupte een felrood bloedspoor, maar na een tijdje begon de kleur van het bloed te veranderen en kreeg het de kleur van een rivier die door een stortbui vertroebeld is en langzaam weer helder wordt. Daarna barstte de rots die Acis gedood had; op die plaats groeiden doorheen de spleten slanke en welige rietpluimen en bruiste water. En - wonderlijk om zeggen - daar verrees plots uit dat water een man, zijn hoofd was omkranst met gevlochten riet. Het was Acis, maar zijn nieuwe verschijning was groter en was waterblauw. Zijn naam bleef bestaan, maar hij was in een rivier veranderd."

De nimfen zwommen weg in de kalme golfslag toen Galatea haar verhaal verteld had. Scylla die de diepe zee vreesde, wandelde op het strand waar ze naakt bleef ronddwalen en af en toe verfrissing zocht in een stille inham van de kust.

Vervolg van het verhaal over Scylla

Vanuit de diepe zee verscheen Glaucus, een nieuwe zeebewoner, die onlangs in Athedon bij Euboea in een zeegod was veranderd. Hij werd hopeloos verliefd toen hij Scylla zag, maar zij rende weg uit angst, ondanks zijn geruststellende woorden; ze zocht een toevlucht op een hoge berg bij de kust. De top van deze berg stak als een spitse punt boven het zee-oppervlak uit en de met bomen begroeide helling liep af naar de zee. Ze voelde zich daar veilig en bleef staan. Van daaruit keek ze verwonderd naar de verschijning waarvan ze niet wist of het een monster of godheid was.

Ze zag zijn kleur en zijn haar dat zijn schouders bedekte; ze zag een vissenstaart die heen en weer sloeg en die zijn onderlijf vormde. Glaucus leunde op een nabij gelegen rots, voelde haar blik en riep:

"Ik ben geen monster en ook geen woedend ondier, meisje lief. Ik ben een watergod die evenveel kracht bezit als Proteus of Triton. Ik ben ook een mens geweest maar ik was blijkbaar voorbestemd om in de diepe zee te leven; ook als mens was de zee mijn leven, ik werkte alleen op zee. Daar trok ik mijn netten naar de kust of wierp ik mijn hengelsnoer in zee van op een rots.

Naast die rots lag aan de ene kant een strand dat aan een groene weide grenst; daar groeiden kruiden waarvan nog nooit een koe, een schaapje of een bokje geproefd had; daar had geen bij naar honing gezocht, daar waren nooit bloemen voor een krans geplukt, daar had geen mens een kapmes gehanteerd.

Terwijl mijn vistuig daar lag te drogen, was ik de eerste die de weide betrad. Ik haalde mijn vis uit mijn netten. De ene stapel had ik met mijn net gevangen, de andere had ik met mijn hengel bovengehaald.

Wat toen gebeurde vond ik verdacht, maar daar heb ik nu niets meer aan. Terwijl mijn vangst op het gras lag, begonnen de vissen te glijden, te draaien en te kronkelen op de grond alsof ze in zee zaten. Ik zag mijn hele vangst in zee verdwijnen; ik stond versteld toe te kijken. Toen de vis verdwenen was, vroeg ik me af of er hier een god of toverkruid aan het werk was geweest. Maar ik twijfelde of een kruid zoveel kracht kon bezitten om dit te laten gebeuren; zo stond ik daar nog lang te twijfelen.

Toen plukte ik een handvol gras en zette er mijn tanden in. Nauwelijks had ik de onbekende sappen geproefd of ik voelde een brandend verlangen naar een ander element: water! Blijven staan was onmogelijk; ik riep de kuststreek vaarwel toe en zei:

'Ik keer hier niet meer terug!'
Dan sprong ik in de diepe zee en liet me door de golven omringen.

De goden namen mij op in hun gezelschap en vroegen Tethys en Oceanus mij van mijn sterfelijkheid te verlossen, wat ik een grote eer vond. Mijn mens-zijn werd me ontnomen door een spreuk die negenmaal werd uitgesproken; daarna kreeg ik de opdracht me in honderd stromen te wassen; onmiddellijk stroomden de rivieren van overal toe om me met hun water te overdekken.

Meer kan ik je niet vertellen want toen verloor ik het bewustzijn. Wat ik je wel nog kan vertellen: na mijn terugkeer voelde ik dat ik iemand anders geworden was, dat mijn geest iemand anders toebehoorde. En als je nu kijkt naar mij, zie je wat ik zag: deze zeewiergroene baard, al dit haar dat ik ver achter mij meesleep over de zee, mijn reusachtige schouders, mijn zilverblauwe armen en mijn voeten die omgebogen zijn tot een vissenstaart. Maar wat ben ik met dit alles, dit lichaam, deze goddelijkheid? Dat betekent niets als jij niet om me geeft!"

Maar Scylla vluchtte voor de god die deze woorden had gesproken en nog zoveel wou zeggen. Boos en bitter om Scylla’s onwil trok Glaucus naar het huis van de tovenares Circe, de titanendochter. De zeegod liet de Etna, die op de nek van een gigant ligt, achter zich. Hij verliet ook het land van de cyclopen en liet Sicilïe ver achter zich. Glaucus zwom krachtig door de Tyrrheense zee naar Circe, de dochter van de Zonnegod. Hij zwom tot bij de heuvels waar haar kruidentuin, haar toverdieren en haar paleis waren.

Ze maakten kennis en daarna zei hij:
>"Godin, ik smeek je, help mij, een god! Want jij bent de enige die mij kan helpen. En ik ben het waard, geloof me. Niemand, Circe, weet beter dan ik hoe groot de macht van kruiden kan zijn: ik werd immers door toverkruid veranderd. Luister, ik leg je uit waarom ik zo wanhopig ben. Op de Italiaanse kust, recht tegenover de muren van Zancle, zag ik een meisje, Scylla. Ik schaam me diep om hier voor jou opnieuw mijn smeekbeden en mijn afgewezen vleierijen te herhalen. Maar jij, die zo’n macht met toverspreuken bezit, zing voor mij zo’n spreuk. Als echter kruiden sterker en effectiever zijn, gebruik dan hun beproefde krachten. Ik vraag je niet om mij van mijn verliefdheid af te helpen, nee, van mijn verliefdheid genezen is niet nodig; ik wil alleen dat Scylla diezelfde verliefdheid voelt voor mij zoals ik die voel voor haar!"

Maar Circe was in haar hart gevoeliger voor de liefde dan anderen. Ofwel moest je de oorzaak bij haarzelf zoeken, ofwel bij de boze Venus die hiermee het verraad van Circe’s vader, de Zon, gestraft had. Circe richtte zich tot Glaucus en sprak:

"Zoek liever naar een vrouw die dezelfde verlangens met jou deelt, iemand die dezelfde hartstocht kent zoals jij die kent! Het is je gegund, en er bestaat een grote kans dat zo’n vrouw vanzelf op jou verliefd wordt. Geloof me, als je haar de kansen biedt, krijg je zo’n vrouw. Ook al ben ik een godin, ook al ben ik de dochter van de gouden Zon, ook al kan ik veel doen met kruid en toverspreuken, toch bid ik je: neem mij tot vrouw! Vergeet Scylla, ze weigert toch, neem mij tot vrouw, ik geef me volledig aan jou! Zo beloon je twee vrouwen met eenzelfde daad!"

Zo probeerde ze hem te verleiden, maar Glaucus antwoordde:

"Eerder zal er boomloof uit de zee groeien, eerder zul je zeewier op hoge bergtoppen vinden dan dat ik mijn liefde voor Scylla zal opgeven. Zolang Scylla leeft, leeft de liefde voor haar verder in mij."

Circe was diep beledigd, maar omdat ze Glaucus niet kon en niet wou pijn doen in haar verliefdheid, nam ze wraak op Scylla, voor wie zij verstoten was.

Onmiddellijk stampte ze kruiden met uiterst giftige stoffen fijn. Al stampend zong ze de vereiste toverspreuken en hulde zich daarna in een blauwe mantel. Bij het verlaten van het paleis werd ze omringd door een stoet van kwispelende, wilde dieren. Zo ging ze naar Rhegium dat tegenover de stad Zancle ligt. Door de branding ging ze de zee op. Ze liep over het tapijt van golven alsof ze over vaste grond liep; toch bereikte ze haar doel met droge voeten.

Haar doel was een kleine inham in de kust, het plaatsje waar Scylla graag ging rusten omdat ze zich er kon onttrekken aan de gloed van de zon als die haar hoogste punt had bereikt; de zee maakte haar bang, daar durfde ze geen koelte zoeken. Circe vervuilde het water van de baai met haar verderfelijk gif, daarna sprenkelde ze overal schadelijke plantensappen en prevelde duistere toverformules, spreuken vol onbekende woorden. Driemaal negenmaal herhaalde ze dit ritueel van klanken en woorden.

Toen Scylla in de baai aankwam, daalde ze tot haar middel in het water. Plots zag ze dat haar buik en heupen omkronkeld waren door een soort blaffende, zwarte monsters. Eerst dacht ze dat de monsters nog van haar lichaam te scheiden waren; ze probeerde ze vluchtend van zich af te slaan omdat ze er bang van was. Maar terwijl ze wegliep, sleepte ze de vervaarlijk kijkende hondenkoppen mee. Toen ze aan haar dijen, benen en voeten wou tasten, voelde ze die niet meer, ze voelde monsterachtige koppen. Dolle Cerberussen vormden nu haar onderlichaam en dierenlijven kronkelden tot haar buik en heupen die daar misvormd naar bovenuit staken. Scylla’s minnaar, Glaucus, vluchtte in tranen weg nadat hij zag wat Circe had aangericht; hij wou absoluut niet met Circe trouwen. Scylla bleef zoals ze toen was, monsterachtig lelijk.

Maar toen ze de kans kreeg om op Circe wraak te nemen, liet ze die niet liggen. Ze roofde Odysseus’ makkers en als ze niet in een omhoogstekende rots was veranderd zou ze Aeneas schepen opnieuw hebben doen vergaan. Nog steeds zeilen stuurlui voorzichtig langs deze klip.

19/02/2013

Tussen water en wind


Mythen, legenden en verhalen
van onze zee en onze kust


De duisternis van dichte wouden, de echo in diepe grotten en mist boven de moerassen lenen zich zoveel beter als schuilplaats voor trollen, geesten en andere angstaanjagende gedrochten dan de zee en het strand.

Maar wanneer het licht deemstert (wegkwijnt) over de zee, worden ook strand en duinen desolate plekken en onvermijdelijk ontstonden ook daar tal van sagen en legenden.Een deel van die verhalen ontsproten uit angst voor het duister. In een tijd waar alleen de maan wat licht gaf op het verlaten strand of de duinenpaadjes, moest er al niet veel gebeuren om klappertandend van angst naar huis te snellen met het verhaal dat men roesschaard was tegengekomen in de duinen, of de eeuwige kruier had gezien in de zee, of de nekker had ontmoet.

Leuke verhalen, die echter pas interessant worden als er verbanden worden gezocht met vroeger en nu, als hun ontstaan kan worden gelinkt aan waargebeurde feiten en aan de geschiedenis van onze Noordzeekust.

Katrien Vervaele sprokkelde en hervertelde.

Klik hier voor diverse spannende zeeverhalen.

Pegasus


Pegasus wordt altijd afgebeeld als een wit paard met vleugels.

Pegasus is een figuur uit de Griekse mythologie. Pegasus, het gevleugelde paard, ontstond uit een liefde tussen de gorgo Medusa en de zeegod Poseidon. Hij kwam ter wereld uit Medusa's bloed toen de held Perseus haar doodde.

Zijn bekendste optreden is wellicht in de mythe van Bellerophon, waarin Bellerophon het dier vangt en temt zodat deze van dienst kan zijn in de strijd tegen de Chimaira en tegen de Amazonen. Bellerophon probeerde op Pegasus naar de Olympus te vliegen, maar de goden doorzagen de hoogmoedige daad van Bellerophon en stuurden een vlieg, die Pegasus onder de staart beet. Pegasus steigerde en Bellerophon viel eraf en stierf een gruwelijke dood. Sommige verhalen vertellen dat hij op het laatste moment werd gered door Athena (de godin van de wijsheid en de strijdkunst).

Het verhaal eindigt ermee dat Pegasus alleen de Olympus wel bereikt, en dat hij de taak krijgt om de bliksemschichten te dragen van Zeus. Een ander verhaal waarin Pegasus voorkomt is het verhaal waarin Poseidon de muzen stil wil laten zijn. Hij doet dat door Pegasus met zijn hoef te laten stampen. De hoefslag van Pegasus schiep de bron Hippocrene.


Pegasus heeft zijn naam gegeven aan één van de sterrenbeelden aan het noordelijk halfrond. Met 10 sterren aangrenzend. Aangrenzende sterrenbeelden zijn onder andere Hagedis, Zwaan en Vosje. Hij is ook het dichterspaard, het rijdier van de dichters.

Pegasus in Chinese volksverhalen

In een Chinees volksverhaal komt ook een paard met vleugels voor. Het paard wordt in dat verhaal afgebeeld als god van het weer en de bliksem.

Niet te verwarren met ...

Pegasus is niet hetzelfde als de Eenhoorn, die in tegenstelling tot Pegasus een hoorn heeft, maar geen vleugels.

Overeenkomsten tussen de twee is de kleur (wit) en het feit dat ze beiden uit mythes afstammen. De Eenhoorn echter is niet geheel paard, maar heeft de hoeven van een bok, de staart van een leeuw en de sik van een geit.

13/02/2013

Narcissus


Narcissus is de zoon van de riviergod Kephissos
en de nimf Liriope (naar Ovidius).

Het verhaal over Narcissus speelt zich af met de nimf Echo. Narcissus was volgens de Griekse mythologie de zoon van de stroomgod Cephissus en najade (waternimf) Liriope. Echo was een mooie maar veel te praatgrage nimf. (soms bleef ze tot vervelens toe praten). De oppergod Zeus bedroog vaak zijn vrouw Hera met mooie nimfen. Op een dag was Hera op zoek naar haar man, want ze vermoedde dat hij zich weer "amuseerde" met de nimfen. Echo hield haar echter aan de praat zodat ze konden ontsnappen. Toen de godin dit doorhad strafte ze Echo en ontnam ze haar de mogelijkheid om het woord te nemen. Echo kon dus nooit meer zelf een gesprek beginnen.

Echo's oog viel op een dag op Narcissus. De bergnimf werd smoorverliefd op de jongeling, maar haar liefde met hem delen kon ze niet. Ze kon hem immers alleen maar napraten. Narcissus was weinig geïnteresseerd in anderen. Alleen de jacht had zijn volle aandacht.

Volgens Ovidius was Narcissus tijdens één van deze jachtpartijen alleen en hoorde hij iets ritselen in het bos. Toen hij hardop vroeg wie daar was kon Echo alleen maar antwoorden door hem na te praten. "Wie is daar?", vroeg de nimf die op slag verliefd was op de jongeling. Narcissus vroeg hierop aan de stem zich openbaar te maken. Echo herhaalde opnieuw de vraag van Narcissus en deed dat nog eens toen de jongeling vroeg waarom hij genegeerd werd. Toen Echo besloot zich openbaar te maken en Narcissus tegemoet te trad, keerde Narcissus haar de rug toe.

Echo werd helemaal verscheurd door deze belediging. Narcissus verliet haar en de nimf trok zich in schaamte terug in de bossen. Vanaf die dag leefde ze in grotten. Geleidelijk aan vervaagde ze van verdriet tot haar fysieke vorm verdwenen was en enkel haar stem nog overbleef. Met haar stem is ze nog steeds klaar om op elk moment te antwoorden. Tijdens een wandeling in de bergen is Echo nooit veraf, altijd klaar om het laatste woord te hebben.

Er zijn meer verhalen die vertellen over de harde manier waarop Narcissus mensen die hem liefhadden verjaagde. Een van die vrouwen die Narcissus tevergeefs had geprobeerd te verleiden vroeg de goden Narcissus te straffen voor het feit dat hij haar liefde niet had beantwoord. Die straf kwam er.

Zo kwam de jonge jager op een dag aan bij een heilige vijver, waarvan het water kristalhelder was, waar de herders nooit langskwamen met hun kuddes, waar geen berggeit of ander dier zich vertoonde. Zelfs bladeren en takken van de bomen durfden er niet in te vallen. Overal rondom groeide het gras mooier dan elders en de rotsen beschutten het tegen de zonnestralen. Moe van het jagen besloot Narcissus om daar even tot rust te komen en zijn dorst te lessen met het water. Toen hij zich voorover boog zag hij zijn weerspiegeling in het wateroppervlak van de Styx, maar hij dacht dat het een mooie geest was die in de vijver leefde.

Zo bleef hij daar zitten, in bewondering starend naar de heldere ogen, het krullend haar, de ronde kaken, de ivoren hals, licht gescheiden lippen, en de blakende gezondheid en conditie in het algemeen van deze verschijning. Hij werd verliefd op zichzelf.

Hij bracht zijn lippen naar het water in een poging om de verschijning te kussen, hij stak zijn armen uit om het beeld te omhelzen. Zijn geliefde vluchtte weg maar kwam terug toen het water weer kalm was en trok opnieuw zijn aandacht. Hij kon zichzelf er niet meer toe brengen om van het water weg te kijken, hij dacht niet meer aan eten en drinken, of aan rust, enkel aan de verschijning in het water. Hij probeerde ermee te spreken, maar kreeg geen antwoord. Hij begon te huilen maar zijn tranen verstoorden het beeld, waarop hij begon te schreeuwen en vroeg of de verschijning wilde stoppen met hem steeds te verlaten. Zo ging het een hele tijd verder, en Narcissus takelde af. Hij verloor zijn kleur, zijn levenskracht en zijn schoonheid die eens zo betoverend was voor de nimf Echo. Die bleef echter dicht bij hem en bleef zijn verdrietige kreten herhalen.

Uiteindelijk kwijnde Narcissus helemaal weg en stierf. De nimfen rouwden om hem, vooral de waternimfen, en bereidden zijn lijkverbranding voor, maar het lichaam was nergens te vinden. Het enige wat van hem overbleef was een bloem (volgens sommigen was dit door toedoen van Aphrodite, die hem uit medelijden toch nog liet voortleven, zij het als bloem), geel van binnen, en omringd met witte blaadjes, die nu nog steeds herinnert aan Narcissus.



Psychologie

De psychiater Sigmund Freud (1856-1939) maakte gebruik van het verhaal van Narcissus toen hij een benaming wilde vinden voor mensen die voortdurend bezig zijn met hun eigen schoonheid of grootheid. Hij noemde hen narcisten en de persoonlijkheidsstoornis Narcisme. Van narcisten wordt onder meer gezegd dat ze een gebrek aan inlevingsvermogen hebben, niet in staat zijn kritiek te verdragen en in contact met anderen vooral bezig zijn zichzelf belangrijk te maken.

11/01/2013

De zeemeermin van Westenschouwen


De zeemeermin van Westenschouwen

Er is een grote vissershaven in Westenschouwen en de vissers worden overmoedig en wreed. Op een dag vangen ze een zeemeermin. De zeemeermin smeekt om vrijlating, maar de vissers lachen haar uit en nemen haar mee. Uit de zee klinkt een stem als een echo van haar leed. De vissers zien een zeemeerman met een kind in de armen. Zijn gezicht is bruin en zijn haren groen, het kind heeft een blanke huid. De zeemeerman zwemt met het schip mee en komt bij de haven. De zeemeermin is stervende en probeert haar man en kind te zien. De vissers laten het vrouwtje zien aan 'dwaas-gierende' vrouwen en verwonderde kinderen.

De zeemeerman strekt zijn armen naar zijn vrouw uit en roept tegen de mensen:

"We hebben ons huis van schelpen gebouwd, we hebben de schelpen stuk voor stuk verzameld. Als de zeemeermin sterft, zal haar laatste gedachte gaan naar het huis".

Hij vraagt medelijden te hebben. Hij vraagt zich af waarom de mensen willen dat ze tijdens haar dood op de donkere aarde moet zijn. De vrouwen en mannen lachen, in Westenschouwen is geen plek voor medelijden. Het net met de zeemeermin wordt aan de watertoren gebonden. De mensen hopen dat de zeemeerman nogmaals zal smeken om het leven van zijn vrouw, maar hij kijkt alleen en lijdt onder haar doodsstrijd.

De zeemeermin denkt aan het schelpenhuis in het riet en sterft. De zeemeerman zwemt tot vlak onder de kust de haven in en de mensen gaan naar het strand, want ze willen niets missen van zijn verdriet. De bewoners vermaken zich uitstekend, maar de zeemeerman heeft geen boodschap aan de honende lach van de mensen. De mensen beseffen niet welke kracht zijn wapens hebben, hij gooit wier en zand in de geulen en ondiepten. De zeemeerman spreekt een vloek uit over het dorpje:

'Westenschouwen,
't zal u rouwen
dat ge heeft geroofd mijn vrouwe,

Westenschouwen zal vergaan
alleen de toren zal blijven staan'.

Maar als je me geeft
mijn vrouw weerom,
Dan bouwen we om 't stadje wallen rondom.



De zeemeerman zwemt weg en keert nooit terug. Winden en stormen drijven het zand en wier op en de mensen vluchten uit hun huizen. De mensen trokken naar elders. Alleen de toren bleef. Eeuwen lang stond die daar in wind en weer.

Rouw, rouw over Westenschouwen!
Rouw, rouw!

Het zand ritselt het, de golven ruisen het, als ze uitrollen aan het strand, de wind loeit luid, als hij vaart rondom de eenzame toren.



Een Zeeuwse legende over de vloek
van een zeemeerman.

Zeemeerman


Een meerman of zeemeerman is de mannelijke vorm van een zeemeermin: een fictief wezen met het bovenlichaam van een mens en het onderlichaam van een vis.

In de Griekse mythologie werden ze vaak afgebeeld met groen haar als zeewier. Meermannen komen veel minder voor in verhalen dan hun vrouwelijke soortgenoten. De bekendste meerman is waarschijnlijk Triton.

Het gedrag van de meerman is sterk afhankelijk van de bron van het verhaal, en uit welke tijd deze stamt. Meermannen zouden grote stormen kunnen oproepen om zo schepen laten zinken, maar zouden ook wijze leraren zijn.

Waternimfen (Najaden)


Nimfen zijn vrouwelijke wezens die gebonden zijn aan een specifieke locatie of landvorm.

Najaden zijn waternimfen, die in fonteinen, bronnen, waterputten, beken, rivieren, moerassen, vijvers en lagunes wonen.

De essentie van een najade was gebonden aan de waterbron waarin zij woonde. Als een bron opdroogde, stierf de najade. In sommige overleveringen worden najaden gezien als gevaarlijke wezens die mannen verdronken door ze onder water mee te nemen wanneer ze gefascineerd waren door hun schoonheid, en de mannen werden nooit meer gezien. Najaden stonden wel bekend om hun jaloerse karakters. Een najade die bedrogen werd door haar man zou hem daarop blind hebben gemaakt uit wraak. In de Griekse mythologie waren najaden echter vriendelijke wezens die de zeelieden door hevige stormen hielpen. Zij zouden ook toekomst visioenen hebben, en maakten profetieën.

Er zijn verschillende soorten najaden:

Crinaeae:

Fonteinen

Limnades:

Meren

Pagaeae:

Bronnen

Potameides:

Rivieren

Eleiomomae:

Moerassen

De Naiaden zijn in de Griekse mythologie waternimfen, en waarschijnlijk dochters van de potamiden, de riviergoden. Ze personifieerden en bewaakten volgens de Grieken alle rivieren, meren, moerassen, fonteinen en bronnen. De Naiaden zijn vooral verwant aan het zoete water, hoewel er overlappingen zijn met de Oceaniden.

10/01/2013

Egeïsche Zee


Volgens een legende werd de Egeïsche Zee naar koning Aigeus van Griekenland genoemd. Een orakel voorspelde dat op een dag de zoon van Aigeus zijn dood zou veroorzaken. Toch trouwde de koning in het geheim en werd Theseus geboren.

De jongen groeide niet in Athene op, en mocht daar pas naartoe als hij een steen op kon tillen waaronder een zwaard en sandalen voor hem lagen. Theseus maakte vele reizen en werd een groots avonturier. Hij versloeg zelfs de Minotaurus (half mens, half stier) in het labyrint van koning Minos. Toen hij uiteindelijk naar Athene ging vergat hij zijn zwarte zeilen door witte te vervangen, en daarom dacht zijn vader dat Theseus dood was. Uit pure wanhoop stortte Aigeus zichzelf van een klif de zee in, en gaf daarmee het orakel gelijk. Deze zee staat nu bekend als de Egeïsche zee.

09/01/2013

Melusine


Melusine was een vrouwelijke geest van zoetwater in heilige bronnen en rivieren in de Europese mythologie. Ze wordt meestal afgebeeld als een soort zeemeermin, en heeft op andere afbeeldingen vleugels.

Volgens één van de verhalen was ze de dochter van de fee Pressyne en een mens, en werd ze toen ze klein was naar het eiland Avalon gebracht om daar op te groeien. Toen ze hoorde dat haar vader haar moeder bedrogen had, zinde ze op wraak. Haar moeder hoorde hier echter van en vervloekte Melusine, waardoor ze vanaf haar middel het lichaam van een slang had. Ze kreeg schubben op haar armen en haar handen werden vinnen, en ze kon nooit meer haar oude vorm aannemen.

Een Keltische mythe over de ondoorgrondelijkheid
van de vrouw

In de duisternis van het woud hoorde de jonge ridder de fontein al veel eerder spetteren dan dat hij de glinstering van het maanlicht op het stille wateroppervlak zag. Hij wilde een stap naar voren doen, want hij verlangde ernaar zijn hoofd onder water te dompelen en een koele slok te nemen, maar toen zag hij diep in het water iets donkers bewegen en de adem stokte hem in de keel. Het was een groenachtige schaduw in het verzonken bekken van de fontein,– een soort grote vis, een soort verdronken lichaam. Toen bewoog het, ging het recht overeind staan en zag hij, angstwekkend naakt: een badende vrouw. Toen ze omhoogkwam en het water over haar flanken stroomde, was haar huid nog bleker dan het witmarmeren bekken, en haar natte haar zo donker als een schaduw.

Het is Melusine, de watergodin, en je vindt haar in verscholen bronnen en watervallen in alle bossen van de christelijke wereld, tot helemaal in Griekenland toe. Ze baadt ook in de Moorse fonteinen. In de noordelijke landen, waar de meren bedekt zijn met een ijslaag die kraakt als ze omhoogkomt, kennen ze haar onder een andere naam. Mits hij haar geheimhoudt en haar alleen laat als ze wil baden kan een man haar beminnen, en zij kan hem op haar beurt ook beminnen, totdat hij zijn belofte verbreekt, zoals mannen altijd doen, en dan zwiept ze hem met haar vissenstaart zo de diepte in en verandert zijn trouweloze bloed in water.

De tragedie van Melusina bestaat erin, in welke taal ze ook wordt verteld of op welke melodie gezongen, dat een man altijd meer belooft dan hij kan waarmaken aan een vrouw die hij niet kan begrijpen.

Hij zag haar in de duisternis van het woud en fluisterde haar naam, Melusine, en toen ze die hoorde, kwam ze omhoog uit het water, en hij zag dat ze tot aan haar middel een vrouw van koele en onberispelijke schoonheid was, maar daaronder schubben had, als een vis. Ze beloofde hem dat ze naar hem toe zou komen en zijn vrouw zou worden, ze beloofde hem dat ze hem net zo gelukkig zou maken als een sterfelijke vrouw kon, ze beloofde hem dat ze haar wilde kant, haar karakter van de zee zou intomen, dat ze een gewone vrouw voor hem zou zijn, een vrouw op wie hij trots kon zijn. Als hij haar op zijn beurt toestond dat ze op een bepaald moment zichzelf weer kon zijn, waarop ze terug kon keren naar haar element, het water, waarop ze de sleur van het lot van een vrouw van zich af kon spoelen en heel even weer watergodin mocht zijn.

Ze wist dat het zwaar was voor je gemoed, zwaar voor je voeten, om een sterfelijke vrouw te zijn. Ze wist dat ze er behoefte aan zou hebben om alleen in het water, onder het water te zijn, en zo nu en dan de rimpelingen op haar geschubde staart weerspiegeld te zien. Hij beloofde haar dat hij haar alles zou geven, wat ze maar wilde, zoals verliefde mannen altijd beloven. En zij vertrouwde hem, zichzelf ten spijt, zoals verliefde vrouwen altijd doen.


Toen de godin Melusine verliefd werd op de ridder, beloofde hij haar dat ze, als ze zijn vrouw wilde worden, vrij zou zijn om zichzelf te zijn. Ze kwamen overeen dat ze zijn vrouw zou worden en op voeten zou lopen, maar dat ze één keer per maand naar haar eigen kamer mocht gaan, een groot bad met water mocht vullen en dat ze voor slechts één nacht haar vissengedaante weer mocht aannemen. En zo leefden ze vele jaren zeer gelukkig samen. Want hij hield van haar en begreep dat een vrouw niet altijd als een man kan leven. Hij begreep dat ze niet altijd kon denken zoals hij dacht, kon lopen zoals hij liep, dezelfde lucht kon inademen als hij. Ze zou altijd een ander wezen zijn dan hij, naar andere muziek luisteren, ander geluid horen, vertrouwd zijn met een ander element.

Hij begreep dat ze zo nu en dan alleen moest zijn. Hij begreep dat ze haar ogen dicht moest kunnen doen en onder de glinstering van het water moest kunnen zakken, met haar staart moest kunnen zwiepen, door haar kieuwen moest kunnen ademhalen en de vreugden en beproevingen van het vrouw-zijn moest kunnen vergeten, al was het maar voor heel even, één keer per maand. Ze kregen kinderen samen, en zij groeiden in gezondheid en schoonheid op. Hij werd nog welvarender en hun kasteel stond bekend om de rijkdom en charme. Het stond ook bekend om de grote schoonheid en beminnelijkheid van de vrouw des huizes, en de mensen kwamen van heinde en ver om het kasteel te zien, de kasteelheer, en zijn mooie, mysterieuze vrouw.

Melusine’s sterfelijke echtgenoot hield van haar, maar hij begreep haar niet. Hij begreep haar aard niet, en hij nam er geen genoegen mee te moeten leven met een vrouw die een raadsel voor hem was. Hij liet zich er door een gast toe overhalen haar te bespioneren. Hij verstopte zich achter de wandbekleding in haar badhuis en zag haar in het water van haar bad zwemmen; hij zag tot zijn grote schrik de glans van rimpelend water over schubben en ontdekte haar geheim: dat ze wel van hem hield, echt van hem hield, maar dat ze nog steeds voor de helft vrouw en voor de helft vis was. Hij verdroeg niet wat zij was, en zij kon alleen maar zijn wie ze was. Dus verliet hij haar, omdat hij in zijn hart bang was dat ze een vrouw met een verdeeld karakter was. Hij realiseerde zich echter niet dat alle vrouwen wezens met een verdeeld karakter zijn. Hij kon de gedachte aan haar geheim niet aan, hij kon niet aan dat ze een leven had dat voor hem verborgen bleef. Hij kon in feite de waarheid niet aan, namelijk dat Melusine een vrouw was die ongekende diepten had, en die daarin zwom.

Toen hij haar zag, terwijl het water tegen haar schubben kabbelde, haar hoofd omlaag in het bad dat hij speciaal voor haar had laten bouwen, omdat hij dacht dat ze zich graag wilde wassen– en niet om terug in een vis te veranderen voelde hij ogenblikkelijk de weerzin die sommige mannen voelen als ze inzien, en misschien wel voor de eerste keer, dat een vrouw echt ‘anders’ is. Ze is geen jongen, hoewel ze zwak is als een jongen, en ze is ook geen onnozelaar, hoewel hij haar heeft zien sidderen van emotie als een onnozelaar. Ze is geen slechterik, al kan ze wrok blijven koesteren, en ze is ook geen heilige, ook al is ze bij vlagen vrijgevig. Geen van deze mannelijke eigenschappen is op haar van toepassing. Ze is een vrouw. Iets heel anders dan een man. Wat hij zag was een halve vis, maar wat hem tot diep in zijn hart bang maakte was het wezen dat een vrouw was.

De arme Melusina, die zo haar best deed om een goede echtgenote te zijn, moest de man die van haar hield verlaten en teruggaan naar het water, omdat ze de aarde te hard vond. Net als veel vrouwen was ze niet in staat zich precies naar de denkbeelden van haar man te voegen. Haar voeten deden pijn: ze kon het door haar man gekozen pad niet bewandelen. Ze probeerde te dansen om het hem naar de zin te maken, maar ze kon de pijn niet ontkennen. Ze is de voorouder van het vorstenhuis van Bourgondië, en wij, haar afstammelingen, proberen nog steeds de paden van de mensen te bewandelen, en soms vinden we die ondraaglijk hard.

Melusina, de vrouw die haar element, water, niet kon vergeten, liet haar zonen bij haar echtgenoot achter en vertrok met haar dochters. De jongens werden volwassen, werden hertogen van Bourgondië, christelijke heersers. De meisjes erfden de helderziendheid van hun moeder en haar kennis over onbekende dingen. Ze heeft haar echtgenoot nooit meer gezien, maar ze is hem altijd blijven missen. In het uur van zijn dood hoorde hij haar voor hem zingen. Toen wist hij, zoals zij altijd geweten had, dat het er niet toe doet of een vrouw voor de helft een vis is, of een echtgenoot geheel sterfelijk is. Als er genoeg liefde is kan er niets– zelfs de natuur niet, zelfs de dood niet– tussen twee wezens die van elkaar houden komen.

Gelezen in: De rozenkoningin
Philippa Gregory

08/01/2013

Lorelei


Volgens de Duitse mythologie woonde op de rots Lorelei aan de Rijn by Sint Goar een zingende nimf met gouden haren die Lorelei heette. De rivier was bij de rots erg smal, en daarom was het een gevaarlijke plek om door te varen. Volgens de mythe bracht Lorelei schepen in gevaar door te zingen, omdat de zeemannen opkeken en daardoor hun schepen op de rotsen voeren.

Na de dood van de zoon van een edelman kwamen soldaten naar de rotsen om Lorelei gevangen te nemen. Ze zag hen echter aankomen en vroeg de rivier om hulp. Zo overstroomden de rotsen en werd Lorelei over de zee weggedragen. Ze is sindsdien nooit meer gezien.

Dat is hetzelfde thema dat ook bekend is van de
Sirenen uit de Odyssee.

De naam Loreley (Lorelei) verschijnt voor het eerst in 1801 in een romantische ballade van de dichter Clemens Brentano. In deze ballade is zij een schoonheid uit de plaats Bacharach, die zich, door haar liefste bedrogen, van het leven wil beroven. Maar de bisschop, gefascineerd door haar schoonheid en gratie, stuurt haar naar het klooster. Op de reis daar naartoe stopte zij aan de rots om nog een keer naar het kasteel van haar geliefde te kijken. Wanneer zij denkt hem weg te zien rijden stort zij zich wanhopig in de golven.

Onderaan de Loreley staat een standbeeld van de nimf.

De dichter Heinrich Heine heeft aan de hand van dit verhaal het gedicht Loreley geschreven, waarbij ook een melodie werd gemaakt:

Ich weiß nicht was soll es bedeuten,
daß ich so traurig bin.

Dit lied behoort nog steeds tot de populairste
van alle Duitse liederen.

Verschillende componisten hebben een opera gewijd aan het verhaal van de Loreley, onder wie
Alfredo Catalani en Max Bruch



De Lorelei

Ik weet niet, wat het te betekenen heeft,
Maar ik blijf zo treurig smachten;
Een sage uit oeroude tijden,
Krijg ik maar niet uit mijn gedachten.

De lucht is koel en het schemert,
En rustig stroomt de Rijn;
De top van de berg fonkelt,
In de avondzonneschijn.

De schoonste jonkvrouw zit
Prachtig mooi boven daar;
Haar gouden sieraad blinkt,
Ze kamt haar gouden haar.

Ze kamt het met een gouden kam,
en zingt daarbij een lied,
Dat een overweldigende,
Wonderschone melodie biedt.

De schipper in het kleine scheepje
Grijpt het aan, niet te geloven;
Hij let niet meer op scherpe rotsen,
Hij kijkt alleen nog maar naar boven.

Ik meen, dat in de golven tenslotte
Schipper en schuit zijn vergaan,
En dat heeft, met haar gezang,
De Lorelei gedaan.
 
Naar het gedicht Die Lorelei
van Heinrich Heine uit 1823

07/01/2013

Bäckahästen

Bäckahästen betekent beekpaard; dit was de naam van een mythologisch paard in Scandinavische verhalen. Ze verscheen in mistig weer bij de rivieren, en mensen die besloten haar te berijden kwamen niet meer van haar rug af. Het paard sprong uiteindelijk in de rivier, waardoor de berijder verdronk.

In Keltische folklore worden kelpies beschreven als paarden die van vorm kunnen veranderen. Men denkt dat Bäckahästen een kelpie was. Mythisch en mooi. In Orkney is er een vergelijkbare wezen en hier werd hij de nuggle genoemd. En op de Shetland eilanden een vergelijkbare wezen, hier werd hij de shoopiltee, de njogel of de tangi genoemd. Op het eiland Man is hij bekend als de cabbyl ushtey Manx Gaelic.

Zijn verschijning is sterk, vol kracht en hij is adembenemend om te zien. Zijn huid was eerst zwart (in sommige verhalen was het wit) ,zijn huid is als dat van een zeehond, zacht maar zo koud als de dood wanneer je het aanraakt. Ze kunnen veranderen in een mooie vrouw om zo mannen in hun val te lokken.

Het neusgat van het paard zorgt voor de illusie van grandeur. Het water paard creëert illusies om zichzelf verborgen te houden, en houd alleen zijn oog boven water om de oppervlakte te verkennen. Het heeft de illusie van een vissenoog. Het is verstandig om weg te blijven van hen.

Het waterpaard is een veel voorkomende vorm van de kelpie. Vooral kinderen te lokken in het water, en te verdrinken en hun op te eten. Het paard stimuleert kinderen om te rijden op zijn rug. Zodra zijn slachtoffers in de val komen, word de kelpie zijn huid als lijm en hij draagt ze in de rivier, sleept hen naar de bodem van het water en daar verslind ze hen, behalve het hart of de lever.

Een veel voorkomende Schots verhaal is het verhaal van negen kinderen die gelokt op de rug van een kelpie, terwijl het tiende kind zijn afstand houd. De kelpie achtervolgt hem en probeert om hem te vangen, maar hij ontsnapt.

Een variant hierop is dat het tiende kind gewoon de kelpie de neus aait, maar toen zijn hand vast kwam te zitten nam hij een mes uit zijn zak en snijdt zijn eigen hand af. Hij redt zich, maar is niet in staat om zijn vrienden te helpen als ze onder water worden getrokken door de kelpie.

06/01/2013

Vrouwe van het meer



De Vrouwe van het Meer is een naam van diverse personages uit de Arthurlegendes, die een belangrijke rol vervult in de vertellingen.

Ze komt voorbij wanneer het zwaard Excalibur aan Koning Arthur wordt gegeven en wanneer de stervende koning naar Avalon wordt gebracht na de Slag bij Camlann.

Nimue staat bekend als Vrouwe van het Meer. Nimue verschijnt door de hele Arthur-legenden als een mysterieuze figuur die advies aanbiedt en tussenbeide komt

Verder zou ze de magiër/druïde Merlijn hebben verleid en zijn geliefde zijn geweest.  Ze reisde met Merlijn, die verliefd op haar was geworden, door Groot Brittannie en Cornwall, om zijn kunsten te leren en nooit zijn minnares te zijn.

Nimue was verantwoordelijk voor de grootbrenging van Lancelot na het overlijden van zijn vader, Ban.

Andere namen voor haar zijn:
Nimue, Viviane, Elaine, Niniane, Nyneve.

De achtergrond en afkomst van de vrouw van het meer stamt vermoedelijk uit de oudheid, net als Morgana is ze voortgekomen uit diverse folkloristische vertellingen.



De eerste melding van het mythische eiland Avalon wordt gedaan in Geoffrey van Monmouths Historia Regum Britanniae, waar zowel de Vrouwe als Morgana zich regelmatig ophouden.

05/01/2013

Verlangen naar de zee



Taggert, een eenzame visser, was op een dag krabben aan het vangen tussen de rotsen. Hij bleef maar zoeken maar hij had slechts een paar beestjes te pakken gekregen.

Van de zware inspanning die hij die dag had geleverd was hij in slaap gevallen in de kajuit van zijn boot. Toen hij rond middernacht wakker werd, zag hij een mysterieuze dans in het maanlicht op het strand. Natuurlijk had hij wel al eens gehoord over Selkies in zijn stamcafé en kende de verhalen van deze verschijningen half mens half zeehond. Toch kon hij zijn ogen niet geloven.

Na een tijdje stopte de dans en keerde ze in koppeltjes van man en vrouw terug naar de zee. De vrouwen waren allen even mooi en lang met gouden haren. Hun ogen straalden kennis uit van zowel land als zee. Toen Taggert één van de Selkies beter bekeek werd hij verliefd op deze half mens half zeehond. Hij besloot vlug van één van de vrouwtjes hun zeehondenvel te pakken en zich stilletjes terug te trekken naar zijn kajuit.

Taggert kon zijn ogen niet geloven toen hij de zes koppeltjes hand in hand over het strand zag lopen. Ze stapten in hun vel en veranderde terug in een zeehond om terug te keren naar de open zee. Één Selkie slaagde er echter niet in om zeehond te worden. Ze vond haar vel dat Taggert al lang mee had genomen, maar niet. Taggert stapte zenuwachtig uit zijn boot en liet door zijn plotselinge verschijning de Selkie schrikken. Ze keek Taggert echter onverstoorbaar aan en vroeg met uitgestrekte armen gewoon haar vel terug.

Waarop Taggert zei:

"O schone vrouwe, ga niet terug naar de zee. Hier kan ik je alles geven alleen al omdat je zo mooi bent. Blijf hier bij mij en word mijn vrouw, trouw met mij".

De Selkie antwoorde echter:

"Ik kan niet lang aan land blijven, mijn huid word droog en zal barsten. Ik verlang naar de zee".

Maar Taggert bleef volhouden en uiteindelijk stemde zij erin toe om zeven jaar bij hem te blijven, tot de zee haar weer zou terugroepen.

Negen maanden later kregen ze een zoon. De jongen was sterk en gezond en moeder en zoon hielden zielsveel van elkaar. Toen de zeven jaar voorbij waren, vroeg de Selkie aan haar man haar huid terug.

"De zee roept me" zei ze droevig.

Droevig omdat ze evenveel van de zee hield als van haar zoon. Voor haar was het dus een moeilijke beslissing. Niet voor Taggert die alleen het beste voor zichzelf wou.

"Hoe kan je dat nu vragen? zei hij brutaal "Heb je ooit wel gehouden van mij als ik van jou?".

Ze verdedigde haar;

"Natuurlijk wel, maar kijk eens naar mijn huid! Het begint te drogen en te barsten. Kijk ook eens naar mijn ogen die al meer dan zeven tranen hebben gehuild. Als ik niet spoedig naar de zee terugkeer zal ik sterven".

Maar het enige wat Taggert kon zeggen was:

"Onzin!".

Hij sloeg de deur dicht en liep woedend naar zijn boot die hij sinds hij zijn Selkievrouw ontmoet had 'Ondine' had genoemd wat 'meisje uit het water' betekend.

Hun zoon, die de ruzie had gehoord, wist wat hem te doen stond. Hij keek net zo lang uit het raam totdat zijn vader helemaal uit het zicht verdwenen was. Hij liep naar de plaats waar zijn vader de huid had verstopt en kroop op kousenvoetjes terug. Met verbazing hoe de huid schitterde in het zonlicht, en hoe zacht het aanvoelde, gaf hij het met zijn strelende vingers terug aan zijn moeder.

"Hier, trek het snel aan voor hij weer terugkomt".

Hoewel zijn moeder wist dat haar zoon gelijk had keek ze aarzelend, door haar tranen door naar haar zoon. Ze zou hem missen ging het door haar hoofd. Toch volgde ze zijn advies op, en ze liepen naar het strand. Ze knoopte haar jurk open en liet hem vallen in het zand.

Opeens klonk er een woedende schreeuw achter hun. Toen ze zich omdraaide zagen ze rennende Taggert die "Nee!" riep. De zoon zag de blik in zijn moeders ogen.

"Ga met liefde, niet uit woede" zei hij met een liefdevolle blik.

Vlug stapte ze in haar huid, sprong in de zee, en zwom tot de golven haar overnamen. Na die dag zwom er elke avond een zeehond voorbij hun huis langs de kust, en bracht dan twee grote vissen mee. Taggert en hun zoon zaten elke avond buiten te wachten op die zeehond. Deze keek hen dan aan met grote donkere ogen waaruit telkens zeven tranen uit leken te druppelen.

Geschreven door Kim Troubleyn

Song of the sea


Selkies

Photobucket

Selkies zijn een mythologisch zeevolk uit de Ierse en Schotse folklore. Men zegt dat een selkie een robbenman of robbenvrouw is, welke rond de eilanden aan de kust leven en evenals robben duiken naar vis, maar aan land kunnen komen in menselijke gedaante, waarbij ze hun robbenhuid afwerpen. De verhalen en legende van de Selkies stammen oorspronkelijk af van de Orkney en Shetland eilanden.

Selkies spelen al eeuwen een rol in sprookjes en fabels uit Ierland en Schotland. In sommige verhalen weet de mens niet dat zijn/haar geliefde een Selk is, maar pas als hij/zij op een dag 's ochtends wakker word en de partner er niet meer is.

In andere verhalen verstopt of verbrandt de mens de robbenhuid, waardoor de Selk niet meer terug kan keren naar zee. Een Selk kan eens in de zeven jaar een kort contact leggen met een mens, maar langer wanneer de robbenhuid verstopt of verbrandt word.

Photobucket

De boer en de Selk

Op een eiland genaamd Kallsoy, woonde een eenzame boer
in het dorpje Mikladalur.

Hij was zo eenzaam, dat hij op een dag besloot naar het strand te gaan om de Selkies op zee te zien dansen. Hij neemt de robbenhuid van een prachtige Selkie vrouw af en verstopt deze in een kist. Hij doet de kist op slot en draagt de sleutel ten allen tijde bij zich. Zo dwingt hij haar om met hem te trouwen, want zonder haar robbenhuid kan ze niet terug naar zee. Ze krijgen samen kinderen en zijn ogenschijnlijk gelukkig.

Op een dag gaat de boer de zee op om te vissen en realiseert zich dat hij de sleutel is vergeten mee te nemen. Bij zijn thuiskomst heeft zijn vrouw de kinderen achter gelaten en is spoorloos verdwenen. Later, wanneer de boer wederom op zee is, dood hij de nieuwe Selkie man en twee Selkie zonen.

Er steekt een verschrikkelijke storm op en zijn Selkie vrouw zweert wraak te nemen op de boer, door zoveel mogelijk mannen van het eiland te doden. Sommigen zullen verdrinken, sommigen zullen van kliffen en rotsen vallen en dit zal net zolang doorgaan tot alle doden elkaars handen vast kunnen houden rondom het eiland Kallsoy.

Selkiemannen en vrouwen

Photobucket

Selkie mannen zijn knap en aantrekkelijk. Ze verleiden vrouwen op het land, meestal degene die bedroefd en kwetsbaar zijn, zoals vissersvrouwen die wachten op de terugkomst van hun man.

In de meeste verhalen over "Selkies" zijn deze wezens aardig en lijken op grijze zeehonden. Ze kunnen hun zeehondenhuid afwerpen en zo een menselijke vorm aannemen om eventueel zich op het land te gaan vestigen. Voor ze dat kan doen moet ze eerst zeven tranen huilen in de zee. Ze moet dan haar huid gaan begraven en trouwen met een man, meestal zal dat een visser zijn omdat die ook dicht bij de zee staan. Vaak vind ze haar huid een paar jaren later weer en zal ze terugkeren naar haar thuisfront, de zee.

Als een man de huid steelt van een Selkie vrouw, heeft hij haar in zijn macht en moet ze met hem trouwen. Selkie vrouwen verlangen altijd terug naar de zee en zodra de kans zich voordoet, bijvoorbeeld als ze haar huid terugvind, keert ze direct terug naar de zee en soms naar haar Selkie man. Het kan ook voorkomen dat één van haar kinderen de huid vind, waarna de Selkie vrouw ook terugkeert naar zee. Alhoewel er gezegd word dat de Selkie vrouw nooit terugkeert naar haar man, word er wel eens gezegd dat ze de kinderen bezoekt en met ze speelt op het strand.

Oorsprong

Waar het geloof in Selkies vandaan komt is volgens een folklore specialist gebaseerd op de verhalen over behaarde Finnen, varend in kajakken. Een andere theorie is dat Spaanse schipbreukelingen erg leken op zeehonden en robben door hun zwarte haar. En weer een andere theorie is dat verdronken mensen transformeren in Selkies.

Woe is me, oh, woe is me!
For I have seven bairns on land,
And seven in the sea!

The Seal’s Skin,
Icelandic folktale

24/11/2012

Aphrodite


Aphrodite (Venus) was de godin van de schoonheid de liefde, het lachen en het huwelijk. Volgens sommigen was ze de dochter van Zeus en Dione, de godin van de vruchtbare vochtigheid, maar anderen zeggen dat ze werd geboren uit het schuim van de zee.

De nimfen van de zee waren de eersten die haar ontdekten. Ze zagen een kindje dat gewiegd werd op een grote, blauwe golf en ze brachten het direct naar één van hun koralen grotten diep onder water.

Vol liefde en tederheid verzorgden ze het kindje en ze voedden het op en onderwezen het met veel aandacht.

Toen de opvoeding van het meisje voltooid was, vonden de nimfen dat het tijd was dat het meisje de andere goden zou leren kennen. Dus namen ze haar mee naar de oppervlakte van de zee.

Er verzamelde zich een grote menigte tritonen, okeaniden en nereïden om haar heen, die luid blijk gaven van hun bewondering voor het mooie, bekoorlijke schepsel. Ze brachten haar spontaan parels en prachtige stukken koraal, die ze uit de diepte hadden opgedoken, als geschenk.

Toen legden de godheden haar zachtjes op een golf en vertrouwden ze haar toe aan de zorg van Zephyros, de zachte westenwind, die een heerlijk verkoelend briesje lieten waaien en haar naar het eiland Cyprus lieten drijven.

De vier mooie Horen (de vier Jaargetijden), dochters van Zeus en Themis, de godin van de rechtvaardigheid, stonden al op het strand om haar te verwelkomen. Maar zij waren niet de enigen, ook de drie Charites waren aanwezig, de dochters van Zeus en Eurynome. Toen ze de godin op de golf zagen, wilden de Charites, die Aglaia, Euphrosyne en Thaleia heetten, niets liever dan hun liefde voor hun nieuwe meesteres tonen.

De golf waarop Aphrodite lag kwam steeds dichterbij en de Horen met hun rooskleurige boezems waren, net als de Charites, vol ongeduld om de nieuwe godin te ontmoeten.

Eindelijk bracht de wind de mooie Aphrodite veilig naar het strand. Ze stond op en op het moment dat haar voet het witte zand aanraakte, bogen alle aanwezigen diep om haar onovertroffen schoonheid eer te bewijzen. Vol bewondering en eerbied keken ze haar aan, terwijl ze haar natte haren afdroogde. Toen ze zichzelf zo enigszins gefatsoeneerd had, vertrok ze met haar volgelingen naar de berg Olympos.

Onderweg daarheen sloten zich nog meer godheden bij haar gevolg aan, zoals Himeros, de god van het liefdesverlangen, Pothos, de god van het liefdesverdriet, Suada of Suadela, de god van de overreding, en Hymen, de god van het huwelijk.

Aphrodite werd al verwacht op de Olympos. Er was een troon voor haar in gereedheid gebracht en toen ze het godenpaleis binnenkwam om haar troon te bestijgen, konden de aanwezige goden het niet laten om luid en geestdriftig hun bewondering voor haar te uiten. Haar schoonheid oefende ontegenzeggelijk macht uit over de aanwezigen en haar charme veroverde de harten van iedereen. Maar hoewel alle goden direct te kennen gaven dat ze niets liever wilden dan met haar te trouwen, wees ze alle aanzoeken met minachting van de hand. Zelfs Zeus, de oppergod, werd afgewezen, iets wat nog maar zelden gebeurd was. Hij besloot haar voor haar trotse houding te straffen en bepaalde dat ze met Hephaistos in het huwelijk moest treden, de god van de smederij en de minst belangrijke in de schare goden.

Dit gedwongen huwelijk zou geen gelukkige verbintenis worden. Aphrodite kon het niet opbrengen genegenheid te voelen voor haar mismaakte echtgenoot en in plaats van een trouwe echtgenote te zijn, liet ze hem al spoedig in de steek en verklaarde openlijk dat ze vanaf dat moment haar eigen weg zou volgen en zich door niemand meer de wet zou laten voorschrijven.

Aphrodite werd vooral vereerd op het eiland Cyprus, waar ze aan land was gekomen, en op het eiland Kythera. Ze was de godin van de liefde en de schoonheid, de bekoorlijkste van alle godheden. Ze werd ofwel volkomen naakt, ofwel met een weinig bedekkende gordel voorgesteld, de 'Venusgordel'. In die gordel verborg ze allerlei aantrekkelijkheden, zonder welke de schoonheid maar koud en dood zou zijn. De macht die ze daardoor uitoefende op goden en mensen leidde echter vaak tot onheil en verderf.

Ze bewoog zich voort in een wagen die gevormd was uit een enorme parelschelp en voortgetrokken werd door sneeuwwitte duiven. De duif was haar meest geliefde vogel, maar ook de mus was aan haar gewijd en onder de planten de mirte, de roos en de appel.



Toelichting: De geboorte van Aphrodite

Er bestaan twee versies van het verhaal van haar geboorte. De ene versie stelt dat zij de dochter van Zeus en Dione is, de andere versie zegt dat zij geboren is uit het zaad van de hemelgod Uranus toen diens geslachtsorganen afgehakt werden door Cronus. Cronus vloog met de testikels over de zee heen. Het bloed en het zaad wat daarbij in het water terecht kwam, veroorzaakte schuim.

Zo "rees zij op" uit het schuim van de zee, deze Aphrodite, en nadat Zephyrus, de god van de wind, haar aanvankelijk naar het eiland Kythyra gevoerd had, zette hij haar later op de kust van Cyprus aan land.

In Plato's Symposium werd onderscheid gemaakt tussen twee Aphrodites. Als kind van Dione heette Aphrodite wel Dionaea, of Aphrodite Pandemos, onder deze namen symboliseerde zij de lichamelijke liefde. Met haar naam Urania zou ze, als kind van Uranus, voor de hogere, spirituele liefde staan.

De godin gold in het bijzonder als beschermgodin van de zeevarenden. In het algemeen was Aphrodite de zegen brengende Al-moeder, beschermster van planten- en dierenwereld. In deze functie is zij een voortzetting van een oude pre-Helleense godin, de 'heerseres der dieren', die in het Minoïsche cultuurgebied op Kreta en de Egeïsche Eilanden werd vereerd.

Aphrodite was bovendien beschermster van de liefde en alle verliefden en haar meest geliefde bezigheid was om goden verliefd te doen worden op aardse vrouwen. Zij schepte er genoegen in ingewikkelde plannen te smeden om ze in de valstrik van de liefde te lokken en dan vooral Zeus, die elk ogenblik in weer een andere liefdesaffaire verwikkeld was. Maar ze hielp ook mensen verliefd worden. Enkele voorbeelden: Atalante, Ariadne, en nog vele andere.

Zijzelf bleef daarbij echter niet achter: hoewel ze gehuwd was met de manke god Hephaestus, knoopte ze een relatie aan met Ares. Dit pikante verhaal wordt door Homerus in zijn Ilias als volgt verteld:

Hephaestus verneemt van Helios, de god van de zon, die alles ziet, dat zijn vrouw hem bedriegt met Ares en besluit hen in de val te lokken.

Hephaestus, de vulkaangod en de god van de smeden, smeedt een onzichtbaar magisch net met een ingewikkelde bediening en doet het voorkomen alsof hij naar het eiland Lemnos gaat. 's Nachts, als Ares naar het bed van Aphrodite komt, werpt hij dit net over hen heen, juist op het beslissende moment, zodat zij zich niet meer kunnen bewegen. Dan roept hij onmiddellijk alle Olympische goden en Zeus erbij om zijn beklag te doen. De godinnen schaamden zich voor dit feit en kwamen niet, maar de goden waren enthousiast. Apollo zei zelfs lachend tegen Hermes dat Hephaestus dan mank mocht zijn maar het toch maar prima voor elkaar had gekregen om hen op heterdaad te betrappen en Ares in een moeilijk parket te brengen, door hem zo te kijk te zetten voor alle goden. Zou jij zo voor gek gezet willen worden? vroeg hij hem.

Hermes, handig als altijd, antwoordde dat hij wilde dat hij in de plaats van Ares was en een relatie met Aphrodite had, dan mochten ze hem met drie kettingen vastbinden en te kijk zetten niet alleen voor alle goden, maar met alle godinnen er nog bij! En zo liep deze geschiedenis met veel goddelijk gelach af, volgens de overlevering van Homerus.

Hoe het ook zij, uit deze verhouding met Ares baarde Aphrodite de kinderen Eros, Deimus, Phobus en Harmonia. Behalve met Ares had Aphrodite echter nog verhoudingen met andere mannen, zoals met de uitermate knappe Adonis, en met Anchises, waarvan ze zoon Aeneas kreeg, die, toen Troje verwoest werd, door haar toedoen gered werd en met zijn familie kon ontkomen. Met Dionysus kreeg ze ook een zoon, de fallusgod Priapus.

Aphrodite hield van rozen en mirte, terwijl haar voertuig getrokken werd door een koppel duiven, haar meest geliefde vogels. Andere benamingen voor Aphrodite over de loop der jaren verwierf de godin enkele bijnamen, die vaak verwezen naar aan haar gewijde plaatsen of alternatieve functies van Aphrodite.

Acadalia; genoemd naar de gelijknamige bron in Boeotië, waar Aphrodite baadde met de Gratieën.

Amathusia; naar een stad op Cyprus.

Cytherea of Cythereïa; naar een Grieks eiland waar een speciale cultus aan Aphrodite gewijd was.

Erycina; naar de tempel die aan Aphrodite gewijd was op de berg Eryx op Sicilië.

In musea zijn tegenwoordig nog vele afbeeldingen en standbeelden van Aphrodite/Venus te bewonderen. De beroemdste daarvan is de 'Venus van Milo. Het beeld bevindt zich in het Louvre te Parijs.

Bron: "Griekse en Romeinse mythen en sagen"